Interview

De lach als bijproduct van woede

Toneel Nathan Vecht is de auteur van de succesvolle, tragikomische toneelstukken Kunsthart en Gidsland. „Ik hou van comedy die voortkomt uit een geëngageerde gedachte.”

Foto Koen van Weel/ANP KIPPA

‘Ik moet oppassen dat ik niet simplificeer wat ik in mijn toneelwerk probeer te nuanceren”, zegt Nathan Vecht halverwege het interview. Hij voegt eraan toe dat we een ernstig gesprek voeren, terwijl hij toch comedy’s schrijft. Meteen relativeert hij die constatering. „Maar comedy is een serieuze zaak en ik hou van comedy die voortkomt uit een geëngageerde gedachte.”

Die steeds verdere verfijning en tegenspraak zijn ook eigenschappen van de geestige en uitgebalanceerde teksten van de veertigjarige Vecht, die zich heeft ontwikkeld tot een van de meest relevante toneelschrijvers van Nederland. Met Kunsthart schreef Vecht een onverwachte toneelhit. De voorstelling van toneelgroep Mugmetdegoudentand opende in 2015 in kleine zalen en eindigde een jaar later in Carré. Onlangs ging bij dezelfde groep de even indrukwekkende opvolger Gidsland in première.

Beide toneelstukken gaan, in de regie van Lineke Rijxman, over ‘de Nederlandse identiteit’. In Kunsthart discussieert Rijksmuseumdirecteur ‘Wim’ met een projectmanager van de Fietsersbond en laat minister-president ‘Mark’ zich kennen als heimelijke kunstliefhebber die alleen de Toppers bezoekt om stemmen te winnen. In Gidsland richt Vecht zich op politiek, media en boze burgers. Ministers debatteren over hoe ze vijfhonderd vluchtelingen gaan opvangen, een tv-journaliste pleit voor inhoudelijke televisie zonder kattenfilmpjes en een gedupeerde Groningse werkt mee aan een documentaire over haar verzakte huis. Uiteindelijk belanden de diverse hoofdrolspelers in een talkshow die volledig ontspoort. Desinteresse, narcisme en populisme zijn enkele van de kwalen die bij Vecht op de snijtafel belanden.

Vluchtelingencrisis

Het idee voor Gidsland kreeg Vecht toen hij in Berlijn woonde. „Als ik schrijf, schrijf ik over wat me nu bezighoudt. Er zit twee jaar tussen de aanzet tot een voorstelling en de première, dus in dit geval was dat in 2015: de zomer van de grote vluchtelingencrisis. Twee Duitse nieuwslezers zetten een lichtje bij me aan. Onafhankelijk van elkaar weken ze af van hun autocue afweken en spraken ze het land toe over de vluchtelingen. Ze deden een moreel appèl aan de kijker: dit is onze geschiedenis, nu moeten we onze goede kant laten zien.”

In dezelfde periode keek hij naar een Nederlandse talkshow, via uitzendinggemist. „Het gesprek ging over de migratiestroom, maar voor het goed en wel op gang kwam, was het tijd voor een filmpje: van een model op een catwalk dat zulke hoge hakken droeg dat ze struikelde en er vanaf viel. Het contrast was fascinerend. Een eye-opener.” Dat zette hem aan het denken. „In Duitsland was het gesprek: wie zijn we, wat zijn onze waarden en hoe gaan we met de vluchtelingen om. In Nederland zei men: hoe organiseren we het zo dat we zo min mogelijk merken van die vluchtelingen.”

Het probleem met zijn onderwerpkeuze was dat platitudes op de loer lagen, beaamt Vecht. Dan is de politicus een zakkenvuller, de burger een tokkie en de journalist een ijdeltuit. Vecht: „Dat is niks. Dat is twitteren. Ik wilde er mensen van maken met een complexer bestaan dan ze in staat zijn om te tonen in de minuut dat ze in beeld zijn.”

De kern van zijn voorstelling werd het personage Jantien, de Groningse (voortreffelijk gespeeld door Anniek Pheifer). Vecht: „In elke maatschappij is per definitie 10 procent van de bevolking woedend, racistisch of ontevreden. Maar het gaat om de groep boze burgers die aanspreekbaar is. Ik wilde een beschaafde, intelligente persoon opvoeren, met burgerzin, die probeert het goede te doen, maar het gevoel heeft door het systeem – overheid, bedrijfsleven, media – in de steek te zijn gelaten.”

Zo doen we dat hier niet

In de talkshow, als er wéér niet naar haar geluisterd wordt, ontploft Jantien. Maar eerst is er een scène bij haar thuis en zie je haar problemen. Vecht: „Haar woede is alles wat je op tv van haar zou zien. En dan zou je denken: die is niet helemaal goed. Terwijl je naar iemand kijkt die alleen maar klappen te verduren krijgt.”

Anniek Pheifer en Guy Clemens in ‘Gidsland’

Foto Sanne Peper

Bij haar thuis is haar stress al te zien als ze een een migrant die als schoolreisbegeleider een vis heeft doodgeslagen, de les leest. Vecht: „Zo doen we dat hier niet, zegt ze. Het gaat niet om de vis, maar om het verlies van houvast. Ze is geen racist, ze is bang. Verplaats het naar Amerika, naar de Trump-stemmer die zegt: we waren toch allemaal wit, christelijk en heteroseksueel en nu hebben we een zwarte president, een transgender-wc en mag ik geen biefstuk meer eten. Dat bouwt op. En hoe futieler de druppel is die de emmer doet overlopen, hoe geestiger het is. Want ik heb wel een komedie geschreven.”

En dan doelt hij op comedy zoals bedreven wordt in satirische nieuwsshows van Amerikaanse presentatoren als Jon Stewart en John Oliver. „De lach is een bijproduct van hun woede en moralisme. Dat is ook het succes van Arjen Lubach. Zijn show is – los van de intelligentie en de lef om niet-catchy onderwerpen aan te snijden – toch vooral goed omdat de makers een sterke mening hebben. En als je die opinie verpakt door te overdrijven of door het tegenovergestelde te beweren van wat je denkt, dan is dat voor kijkers een aangename manier om geïnformeerd te worden.”

Lees ook de recensie van ‘Gidsland’: Hyperrelevant ‘Gidsland’ fileert ons poldermodel

De titel Gidsland is ironisch. Vecht: „In de jaren negentig ging het relatief goed in Nederland, er heerste een brede consensus. Dan kun je zeggen: wij hebben als eerste het homohuwelijk, wij zijn een gidsland. Maar bij grote problemen als klimaat, ongelijkheid en migratie werkt die consensuspolitiek als een blusdeken waaronder problemen doorsmeulen.”

In de scènes over politiek en televisie is te zien dat politici en omroepbazen niet staan voor wat ze vinden, maar alleen bezig zijn met het behagen van het publiek. Vecht: „Dat is een kwestie van moed. Ben je bereid voor je opvattingen tegen de stroom in te gaan en het risico te lopen je baan te verliezen? Gidsland zijn is makkelijk als je geen offers hoeft te brengen.”

Ploeteren

Dat Kunsthart een hit werd, noemt hij „te gek”. En dan volgt een typerende relativering: „Mijn credo is toch – in dit geweldige werk waarin allerlei talenten moeten samenkomen: af en toe lukt iets.” Het schrijven is ploeteren. „Ik heb geen talent voor tevredenheid. Af en toe heb ik een flow, wat gewoon concentratie is, waarin mijn personages zo van vlees en bloed zijn geworden dat ze me verrassen. Dat ik denk: ‘Wat doe jij nou? Wat zeg jij nou?’ Dat is erg leuk.”

De eerste lezing van zijn tekst door acteurs is voor Vecht het spannendste moment. „Dan ben ik heel kwetsbaar. Het kan verschrikkelijk zijn – als de tekst niet werkt. Maar laatst konden de acteurs bij de eerste lezing niet meer verder omdat ze zo hard moesten lachen.” Dat was bij Aquarium, een nieuwe tekst voor een voorstelling die volgend jaar in première gaat, met onder anderen Pierre Bokma.

Acteurs kunnen ook verrassen. In Gidsland schreef Vecht badinerend een lied van één woord: ‘Oladiee’. Xander van Vledder maakt er een songfestivalwaardig lied van door dat woord achter elkaar steeds op een andere manier te zingen. Dat moet als schrijver heerlijk zijn om te zien. Vecht grinnikt en knikt. „Xander heeft er ook zelf de muziek bij gemaakt. Het enige wat ik er in het script bij had gezet, was: ‘Dit is het.’ Zo’n uitvoering is het mooiste wat je kan overkomen als maker van de siroop: dat iemand er geweldige priklimonade van maakt, nog lekkerder dan je had verwacht. Dat heb ik ook als ik voetbal: een voorzet geven is mooier dan scoren. Als je een ego hebt dat gestreeld moet worden, moet je niet werken in een wereld waarin al zoveel mensen in de schijnwerpers staan. Maar ik voel me er goed bij.”

Gidsland van Mugmetdegoudentand speelt nog t/m 3 febr.