Pitbull

Huisarts Anne Hermans schrijft over haar praktijk op het platteland van Nieuw-Zeeland.

Grey Street. Terwijl ik linksaf sla, weet ik plotseling weer waarom die naam me bekend voorkomt. Het was hier dat die man vier maanden geleden door de buurthond werd aangevallen. Hij liep naar buiten om de post te halen toen de pitbull van de buren plotseling op hem afkwam. Van onder tot boven onder de bijtwonden. Mijn collega was on call, en had zo snel mogelijk de helikopter gebeld. Pijnstilling, vocht, bloedingen stelpen.

Mijn aloude angst voor honden vlamde op en wekenlang droomde ik over pitbulls. Nog steeds als ik ga hardlopen en in de verte iets hoor blaffen, draai ik om en ren ik terug naar huis. Het helpt niet dat het vaak ongure figuren lijken die je hier met een pitbull over straat ziet lopen en dat mijn collega vertelde dat de eigenaren van de hond geen enkele spijt betuigden over het incident: „Ze waren pisnijdig dat hun hond door de politie werd afgemaakt.”

Grey Street 18, zei het callcenter. Mevrouw Wood is bekend met emfyseem en vanavond toenemend benauwd geworden. Het is iets over elven en pikdonker. Ik schijn met mijn zaklamp langs de huizen tot ik nummer 18 kan onderscheiden. Als ik uitstap voelen mijn benen slap. Die hond is dood, Anne, doe normaal, mompel ik vermanend.

Ik loop naar binnen. Een muffe geur komt me tegemoet. Haar dochter en zoon zitten voor de tv. Op tafel staat een asbak vol peuken. „Ma zit in de achterkamer”, mompelt de dochter zonder op te kijken.

Ik laat mijn ogen door de donkere kamer gaan en ontwaar dan pas haar gestalte in een luie stoel bij het raam. Als ik naar haar toe loop schrik ik van een zwaar geblaf en het geluid van poten die als een dolle tegen de deur net naast me krassen. Terwijl ik mevrouw Wood probeer te onderzoeken, gaat het geblaf en gekras onverminderd door. Het klinkt alsof de hond zich elk moment door de deur heen kan graven. Mijn ogen vliegen door de kamer, op zoek naar een vluchtroute. Dan pas ontwaar ik de foto boven de eettafel. Een dobermann in gevecht met een pitbull, omringd door honderden mensen: de vuisten gebald boven hun hoofden.

Trillend sluit ik mevrouw Wood aan op de vernevelaar, mijn ogen gefixeerd op het raam naast haar. Die twee hendels aan de onderkant: hoe snel zou ik die open kunnen krijgen? Wat als ze op slot zitten? Zal ik voorstellen om het raam alvast een beetje open te zetten? Wat frisse lucht kan voor haar longen toch geen kwaad? Helaas is het buiten hoogstens vijf graden.

Na tien minuten vernevelen, ademt ze een stuk rustiger. Ik laat wat prednison achter en bespreek haastig bij welke tekenen ze weer moet bellen. Als ik bij de voordeur sta met mijn hand op de deurklink, vraag ik quasinonchalant: „Wat voor hond hebben jullie eigenlijk?”

De dochter kijkt op van de tv en glimlacht. „Een Newfoundlander. The fluffy bear type dog, you know. Hij is nog een pup. We hebben hem even opgesloten omdat hij zo rondspringt en ieders gezicht wil likken.”