Oppositie in Eritrea: ‘We bidden dat deze regering verdwijnt’

Straatprotest

Het komt niet vaak voor: demonstraties in Eritrea. Vorig week werd protest van scholieren in de hoofdstad Asmara uiteengeslagen.

De Eritrese president Issayas Afewerki, in mei 2007 op een conferentie met de EU in Brussel. Afewerki is president sinds de onafhankelijkheid van Eritrea in 1993. Olivier Hoslet/EPA

De verboden Eritrese oppositie vraagt de internationale gemeenschap opnieuw om aandacht voor de onderdrukking in het Afrikaanse land. „Het buitenland moet waarnemers sturen om hier onderzoek te doen”, zegt een oppositielid over de telefoon vanuit de Eritrese hoofdstad Asmara.

Directe aanleiding voor de jongste smeekbede is het harde optreden van veiligheidstroepen, vorige week in Asmara tijdens protesten tegen plannen van de regering om islamitische, katholieke en andere particuliere scholen aan banden te leggen. Toen een groep van zo’n honderd demonstranten, meest scholieren, zich dinsdagmiddag had verzameld nabij het regeringscentrum, werd de menigte met de wapenstok uiteen gejaagd. Er weerklonken geweerschoten en een onbekend aantal mensen werd opgepakt. De Amerikaanse ambassade waarschuwde dat demonstraties, hoewel vreedzaam van opzet, makkelijk kunnen escaleren in geweld.

Demonstraties zijn zeldzaam

Volgens VN-onderzoekers worden de mensenrechten in Eritrea met voeten getreden. Openlijke demonstraties in Asmara zijn zeldzaam, het protest van vorige week baarde opzien, vooral onder oppositie-activisten in de diaspora. In Europese en Noord-Amerikaanse steden zijn demonstraties gepland bij Eritrese diplomatieke vertegenwoordigingen. Den Haag zou dinsdag aan de beurt zijn.

Omdat Eritrea zo gesloten is, is het moeilijk een betrouwbaar beeld te krijgen van wat zich heeft afgespeeld. De regering zegt dat er slechts sprake was van een kleine demonstratie bij een school en zij ontkent dat er met geweld werd ingegrepen, waarbij slachtoffers vielen. Een van de oppositiegroepen, de Red Sea Afar Democratic Organization (RSADO) meldde daarentegen dat er vorige week dinsdag 28 doden waren te betreuren en talloze gewonden. Maar onderzoeker Felix Horne van Human Rights Watch schrijft in een commentaar dat RSADO wordt gefinancierd door Ethiopië, Eritrea’s aartsvijand, en dat haar informatie bepaald niet als betrouwbaar kan worden gekwalificeerd. Ethiopië heeft er belang bij de onrust in zijn buurland aan te wakkeren.

Ze schoten niet op mensen

Het oppositielid in Asmara, woordvoerder in Eritrea namens het zes jaar geleden in de VS opgerichte netwerk van Arbi Harnet (Vrijheid Vrijdag), zegt dat er geweld was en dat er mensen zijn gearresteerd. Maar er zijn geen demonstranten gedood, zegt hij. Het bijzondere was: „Ze schoten niet op de mensen. Dat weigerden ze.”

Het Eritrese ministerie van Onderwijs ontvouwde drie jaar geleden het plan alle scholen openbaar maken. De onrust van de afgelopen weken concentreerde zich op de Al Diaa Islamitische School in de wijk Akhriya. Erevoorzitter Muasa Mohamed Nur had zich eerder gepassioneerd uitgelaten tegen de gedwongen secularisering van de school; eind oktober werd hij opgepakt. Een broer van Nur, mede-oprichter van het Eritrese Bevrijdingsfront, stierf in 2008 in gevangenschap. Het waren de leerlingen van Al Diaa die vorige week als eersten de straat op gingen.

Verenigd

Verzet komt niet alleen van moslims, ook christenen doen mee aan het protest. „Moslims en christenen zijn verenigd. Ze willen dat de regering ophoudt zich te bemoeien met hun onderwijs. Daarom zijn de mensen de straat opgekomen”, aldus de zegsman in Asmara, zelf van christelijke huize. En, voegt hij er aan toe, het gaat ook niet alleen om inperking van de religieuze vrijheid. „Dit regime legt alle mogelijke vrijheden van de burgers aan banden. Daarom ontvluchten zoveel mensen Eritrea. Dat moet ophouden. Daarom bidden we dat deze regering verdwijnt.”

Nu lijkt de rust te zijn teruggekeerd. Maar het verzet zal doorgaan, zegt de woordvoerder in Asmara. „Natuurlijk ben ik bang. Zoveel mensen zijn bang. We lopen grote risico’s. Er zullen nieuwe protesten komen. Misschien op kleine schaal in het begin, op verschillende plekken. En misschien monden die uit in iets groots. Daarom is het zo belangrijk dat de wereld weet wat hier aan de hand is.”