‘Mensen denken dat ik het expres doe’

Zelfbeschadiging Kenza (22) snijdt al tien jaar in haar armen. „Ik dacht: als ik meer littekens heb, is mijn leven beter.”

Foto Tessa Posthuma de Boer

Tijdens de eerste ontmoeting, eind 2016, draagt Kenza (22) een groen gebreid mutsje. Die is niet om haar hoofd warm te houden, maar om een pukkel te verbergen, zegt ze met een glimlach.

We zitten op haar kamer in Amsterdam, ze woont nog bij haar ouders maar heeft een eigen voordeur. Twee langharige rode katten bewegen zich door de ruimte, over haar schoot, gevaarlijk dicht langs de koppen thee op de grond. Kenza heeft een mouwloos zwart bloesje aan. Haar armen zijn bedekt met littekens – zo veel, je kunt ze niet meer tellen.

Soms vergeet ze dat haar armen opvallend zijn, andere keren is ze zich er juist heel erg van bewust. Op de introductiedag van haar studie geschiedenis in Amsterdam zaten de nieuwe studenten in dierentuin Artis in de zon een broodje te eten. „‘Ik ga nu mijn vest uitdoen’, heb ik toen gezegd. ‘Ik heb littekens op mijn armen. Als je er iets over wil vragen, mag je het vragen’.” Vandaag hoeft ze haar armen niet te bedekken, want ze zijn onderwerp van het gesprek.

Mensen vragen Kenza eigenlijk nooit waarom ze zichzelf beschadigt. Ze kijken. Of ze kijken expliciet niet. Soms maken ze ongemakkelijke opmerkingen. Zoals de docent op de middelbare school die zei: ‘Ze mishandelen je toch niet thuis, hè’. „Midden in de klas.” Kenza trekt haar wenkbrauw op. „Wat dénk je dan?”

Wat moet je denken, van iemand die zichzelf jarenlang pijn blijft doen?

Er is geen simpel antwoord, blijkt tijdens de gesprekken die we het afgelopen jaar hebben gevoerd. Een eerste poging, Kenza zit in kleermakerszit in de hoek van haar grijze bankje: „Ik haat mezelf heel erg. Ik neem mezelf veel kwalijk. Ik heb veel ellende meegemaakt.” Als ze fysieke pijn voelt, is de mentale pijn even helemaal weg. „Maar het is gecompliceerder dan dat.”

De eerste keer was op een maandagavond, tien jaar geleden. Haar ouders hadden ruzie over haar – waarover precies weet ze niet meer. Kenza was in de badkamer en hoorde de luide stemmen. „Ik heb een nagelschaar gepakt. Op dat moment heb ik mijn leven opgefokt. Op de een of andere manier ben ik het blijven doen, en heeft het zich uitgebreid.”

Mijn illusie was: als ik meer littekens heb, is mijn leven beter

De groep die aan zelfbeschadiging doet is moeilijk te duiden. Er zijn wel wat cijfers. In 2015 zijn 15.000 mensen op de eerste hulp behandeld voor ‘zelf toegebracht letsel’. Er is een piek bij jongeren tussen 20 en 24 jaar en volwassenen van 40 tot 44 jaar. Vermoedelijk is er ook een grote groep die zichzelf beschadigt maar niet naar het ziekenhuis hoeft. Zelfverwonding is vaak een uiting van een onderliggende problematiek, zoals een psychische stoornis. Maar het kan ook een manier zijn om met ernstige stress of angst om te gaan. Kenza heeft een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een depressie.

Rond de tijd dat Kenza zichzelf voor het eerst beschadigde, werd ze ook voor het eerst seksueel misbruikt. „Ik schaamde me heel erg. Ik ben een slecht mens, vond ik. Je vindt dat je niet het recht hebt om te bestaan.” Een gevoel van schaamte en zelfhaat komt meer voor bij mensen die misbruikt zijn. Kenza vertelde aanvankelijk niemand over het misbruik, maar schrobte zichzelf schoon met zeep en een schuursponsje. Het vieze gevoel ging niet weg. „Mijn illusie was: als ik meer littekens heb, is mijn leven beter. Als ik gestraft ben is het weer goed.”

Zo veel botteriken

Het grootste misverstand over zelfbeschadiging is dat mensen het doen voor de aandacht, vindt Kenza. „Ik vind het egocentrisch dat zij denken dat ik mezelf zoveel pijn doe alleen maar voor hun aandacht.” Dit oordeel komt ze ook tegen bij zorgverleners, vertelt ze. Ziekenhuizen worstelen vaak met mensen zoals Kenza, die ook psychische begeleiding nodig hebben. Kenza vertelt over een huisarts die haar wonden zonder verdoving hechtte. „Want je doet het zelf ook zonder verdoving.”

Deze verhalen doen vaker de ronde in de gemeenschap van mensen die zichzelf beschadigen. „Ze heeft zoveel botteriken gehad”, zegt haar moeder Marieke later. Marieke vertelt over die keer dat de anesthesist en de verpleegkundige aan het bekvechten waren over wat ze met Kenza moesten doen. „De anesthesist vond dat Kenza vanwege haar wonden moest blijven. Maar de verpleegkundige vond dat ze moest gaan. ‘Ze is psychiatrisch patiënt, dat kunnen we er niet bij hebben’,” zei ze. Als Kenza in paniek is kan ze ook echt stennis schoppen, gaan spoken.

Kenza is grappig en welbespraakt. Tijdens het eerste gesprek studeert ze geschiedenis, een jaar later is ze overgestapt op klassieke talen. Ze bokst, houdt van wandelen met hond Indy. Ze luistert graag naar Nederlandstalige hiphop en rock. Wie op haar Instagram-pagina kijkt, ziet eerst een beeld van een onbezonnen jonge vrouw. Foto’s van Kenza tegen een muur in een zonnig land, rode lippen en een pet schuin op haar hoofd. Een smakelijk gefotografeerd ontbijt. Maar wie langer kijkt, ziet ook de selfies in ziekenhuisbedden en leest fotobijschriften over hoop op herstel.

Onder de naam Strong like a fighter maakt Kenza 13.000 volgers deelgenoot van haar „recovery”. De meeste volgers zijn tussen de 18 en 24 jaar oud, meer vrouwen dan mannen. Bij haar pagina-omschrijving staat: „Sportieveling in de gym. Battle scarred. Sterker dan je denkt. Hier om anderen te inspireren.”

De onlinewereld van mensen die zichzelf beschadigen of eetstoornissen hebben, is de laatste jaren drastisch veranderd, vertelt Kenza. Mensen plaatsten hun probleem als het ware vol trots: op blogs deelden ze foto’s van hun dunste zelf, mensen die zichzelf beschadigden lieten zien wat zij deden. Maar dat is „uit” en „recovery is in”. De insteek: het gaat met mij niet altijd goed, maar ik werk eraan.

Er is ook een groep mensen die zegt dat ze werken aan herstel, maar zelfdestructie verheerlijken. Dat is not done, vindt Kenza. Het kan anderen die willen stoppen met zelfbeschadiging ‘triggeren’, zegt zij. „Die groep vergiftigt Instagram.”

Afkicken

Kenza’s moeder zet een theepot op het fornuis. Het is februari 2017, we zitten aan een houten eettafel. Kenza is nu aan het stoppen met zichzelf beschadigen, zegt Marieke. „Je bent aan het afkicken.”

Kenza: „Dat is heel zwaar. Ik ben bang en boos. Alles wat ik niet wilde voelen de afgelopen jaren komt naar boven.” Over zelfbeschadiging praat ze afwisselend in het heden en het verleden: ze wil dat het iets van vroeger is, maar het gebeurt ook in het nu. „Alles heeft heel veel lading gekregen omdat het al zo lang duurt.”

Marieke twijfelt aanvankelijk of ze dit interview wel een goed idee vindt. „We praten er al zo veel over. Soms is het ook even genoeg. Als Kenza zich niet goed voelt, zijn we allemaal in staat van alertheid.” Ze vreest er ook voor dat haar dochters identiteit te veel gaat samenvallen met haar stoornis. Ze vindt het belangrijk om duidelijk te maken dat wat Kenza heeft een ziekte is. „Een ernstige chronische aandoening, maar dan in haar hoofd. Dat ze deze ziekte heeft, daar kan ze helemaal niets aan doen.”

Ik denk altijd: komt goed, later krijg ik een baan en een gezin, net als iedereen

Kenza ziet de toekomst „best wel zonnig” in, vertelt ze later. „Ik denk altijd: komt goed, later krijg ik een baan en een gezin, net als iedereen. Maar niemand om me heen gelooft dat volgens mij.”

Marieke lacht: „Een gezin? Ik dacht dat je liever katten wilde.”

Foto Tessa Posthuma de Boer

In december heeft Kenza een tattoo laten zetten, een symbool waarmee mensen die seksueel zijn misbruikt aangeven ‘overlevers’ te zijn. „Ik wilde bij mezelf begrip creëren voor het misbruik dat ik heb meegemaakt. Ik moet mezelf serieus nemen en mezelf vertellen dat het er is.”

Vaker uitstellen

Kenza vertelt dat ze de afgelopen tien jaar meermaals is misbruikt. Ze is onder meer aangerand op de middelbare school, misbruikt door een therapeut en verkracht in het park. Eén dader zit vast. We gaan niet heel diep in op wat er precies gebeurd is. Kenza heeft de neiging zich te verklaren voor wat haar is overkomen. „Ik heb een poosje gedacht dat ik besta om misbruikt te worden. Mensen denken vast dat ik het expres doe. Misschien straal ik dingen uit. Ze moeten altijd mij hebben.”

Misbruikt worden kan toch nóóit de schuld van het slachtoffer zijn? „Je hebt ook mensen die gepest worden, naar een andere school gaan en daar wéér gepest worden. Dan moet er wel iets fout zijn met dat meisje. Je weet niet waar het aan ligt, maar het gebeurt wel.”

Het gaat de laatste tijd weer iets beter, vertelt ze in september van dit jaar. „Ik beschadig mezelf minder. Ik voel wel de drang om het te doen, maar uitstellen lukt me steeds vaker.” Sinds een paar weken heeft ze een slotje op haar kamerdeur. „Een kleintje hoor”, ze lacht. „Dat is bijzonder want dat mocht vroeger niet van mijn ouders omdat ik vaak gevaarlijke dingen deed.” Kenza is tijdens deze ontmoeting vrolijker, scherper. Ze is onlangs overgestapt op nieuwe medicijnen. En ze volgt een nieuwe therapie om haar trauma’s te verwerken. Met haar huidige behandelaars is ze heel tevreden. Ze hoeft minder vaak opgenomen te worden – in zowel het ziekenhuis als in de psychiatrische kliniek. „Een keer in de twee maanden, schat ik. Vroeger wel drie keer per maand.” Nog niet alles is over. „Maar ik doe weer dingen.”

Wat voor dingen?

„Leven, gewoon.”

De achternamen van Kenza en Marieke zijn bekend bij de redactie.