Column

Een lach sjouwen

Ellen

Vanochtend werd ik wakker met een gezicht waarin elke spier was verstuikt. Dat zat als volgt: zaterdag had ik een mooie tafel gevonden op Marktplaats en omdat deze volgens Google Maps slechts anderhalve kilometer van mijn huis af lag, besloot ik voor mezelf en mijn geliefde dat we deze wel even per voet konden ophalen. Natuurlijk was het ding loodzwaar, bevond hij zich in een penthouse en was er geen lift, slechts een trappenhuis zo smal dat alleen een anorectische tekkel er zijn achterste niet hoefde in te houden. Eenmaal beneden stonden zowel onze lichamen als onze relatie op instorten. En toen moesten we nog anderhalve kilometer.

Omdat ik en mijn geliefde dertigers zijn, bel je dan geen taxi. Het nog kunnen verplaatsen van een hunebed van een meubelstuk wordt dan een principekwestie, een bewijs dat de aftakeling nog niet is begonnen. Want we waren nog jong, toch? Dus sjouwden we, met ongeveer vijf meter per minuut, met paars aangelopen hoofden die tafel door de Amsterdamse Sarphatistraat. Als je het zou verfilmen, zou je het The making of a Hernia kunnen noemen. Wat de situatie nog verergerde is dat omstanders vaak met open mond naar zo’n operatie kijken. Ze beschouwen het waarschijnlijk als een soort live Funniest Home Videos en wachten tot de grap komt, dat wil zeggen: tot er iets misgaat. Van tevoren hadden mijn geliefde en ik daarom afgesproken dat wat er ook gebeurde, we moesten blijven glimlachen, omdat als we zouden gaan huilen of bekvechten we alleen nog maar meer bekijks kregen. We gunnen onze medemens veel, maar geen leedvermaak.

En dus torsten we stralend de tafel die we inmiddels met een hakbijl tot tandenstokers wilden reduceren, door de straten. Zolang andere mensen ons konden zien, deden wij alsof dit de leukste bezigheid ter wereld was. In Amsterdam waren er op zaterdagmiddag nogal wat andere mensen, en zo hadden we aan het einde van de dag dus spierpijn. Niet in onze armen (die waren allang afgestorven), maar in ons gezicht. Van het doen alsof er niets aan de hand was, door het produceren van een lach die tegen de buitenwereld zei: wij hebben de tijd van ons leven, hier zal niets spectaculairs gebeuren dus kijk maar weer lekker op je smartphone, hahahahahaaaargh.

„Verhuizen”, kreunde mijn geliefde die avond (op iedere wang ter verlichting een bevroren plak wilde zalm), „zou eigenlijk helemaal niet zo zwaar zijn als je er gewóón bij kon kijken.”

„Ja, maar dan denkt iedereen dat er iets mis is”, zei ik.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.