Recensie

De woeste snor in Murder on the Orient Express verdient bijna een Oscar

Misdaad

Er lijkt een kleine Agatha Christie-revival gaande in filmland. Acteur/regisseur Kenneth Branagh trapt af met ‘Murder on the Orient Express’.

Hercule Poirot (Kenneth Branagh) en Miss Mary Debenham (Daisy Ridley) in ‘€œMurder on the Orient Express’.€

Het heeft een van de beroemdste plots ter wereld, Murder on the Orient Express. En een van de beste titels, want dat is exact waar het nu opnieuw verfilmde boek uit 1934 van Agatha Christie over gaat. Er is een moord gepleegd aan boord van de Oriënt Express, de beroemde luxetrein die tot eind jaren zeventig tussen Istanbul en Londen reed. Alle passagiers zijn verdacht, hebben een motief. Probleempje: ze hebben ook allemaal een alibi.

Gelukkig is Christies sterdetective Hercule Poirot aan boord: de man van de snor en de grijze (hersen)cellen. De fatterige tegenhanger van Sherlock Holmes en door zijn schepper naar verluidt stiekem gehaat. Had Christie zo haar best gedaan de moordenaar te vermommen en rookgordijnen op te trekken, riep hij toch weer alle aanwezigen bijeen in de salon om de dader te ontmaskeren.

Heritage-revival

Het is een nostalgisch genre, de Agatha Christie-film. Misdaadverhalen van tegenwoordig zijn moreel een stuk rommeliger. De privédetective is geen held, maar een getroebleerd persoon. En Murder on the Orient Express mag dan het eerste boek zijn waarin Poirot ontdekt dat misdaden hun eigen mathematica hebben maar motieven meestal minder lineair zijn, het wereldbeeld van Agatha Christie blijft natuurlijk rechtlijnig. En regisseur Kenneth Branagh, die ook de rol van de superspeurneus op zich nam, doet geen enkele moeite om dat te verbloemen. Zijn Murder on the Orient Express is meer Downton Abbey dan Sherlock, sluit aan bij de Engelse heritage-revival.

Met twee Agatha Christie-biopics in de maak (met respectievelijk Emma Stone en Alicia Vikander in de hoofdrol) kun je voorzichtig concluderen dat er weer vraag is naar Christies overzichtelijke wereldbeeld. Murder on the Orient Express is een film voor working girls die zich na zoveel glazen champagne en goudgeroosterde toast met kaviaar zelf glamoureus wanen met een mok brakke thee en een scone in een tearoom in een straatje achter Oxford Circus. Een betoverende film, maar je vergeet nooit dat het slechts een perfect alibi is om even twee uur de wereld te vergeten.

Celluloidpurist Branagh en zijn cameraman Haris Zambarloukos draaiden de film op 65mm Panavision, in de echte sneeuw, waardoor alles er haarscherp en bijna tastbaar uitziet: de ijspegels, het tafellinnen, de kristallen karaffen. Al gebruikt Branagh dit formaat net als Quentin Tarantino’s The Hateful Eight vooral om met grote scherptediepte te cirkelen en duiken door claustrofobische interieurs. Op z’n beste momenten doet de film denken aan de visuele flair van Wes Andersons The Grand Budapest Hotel .

Sterrencast

En dan de sterrencast, ook het geheime wapen van Sidney Lumets legendarische verfilming van Murder on the Orient Express uit 1974. Michelle Pfeiffer, Penélope Cruz en Derek Jacobi lijken zelfs in dialoog met hun voorgangers Lauren Bacall, Ingrid Bergman en John Gielgud. Wel liet Branagh de al te koloniale achtergronden van de personages aanpassen, en wordt het onuitgesproken racisme van de jaren dertig luchtigjes becommentarieerd. Dat is waarschijnlijk de grootste ingreep die Branagh zich permitteerde.

Op die snor na dan.

Wie Hercule Poirot zegt, zegt snor. Zwarte snor. Want oudere man Poirot verft zijn haar inktzwart, al noemt hij dat zelf: „zijn haar zijn natuurlijke kleur teruggeven”. Want zo is Poirot. Maar bij Branagh is die snor grijs, net als zijn haar. Die snor gaat gedurende de film een eigen leven leiden, verdient bijna een Oscar. Eerst houdt Poirot hem nog ’s nachts met een snor-netje in bedwang, maar naarmate de moraal rekbaarder wordt, waaiert zijn gezichtsbeharing alle kanten uit. Met zijn wijd openvallende overjas in het sneeuwlandschap lijkt hij uiteindelijk meer Dr. Zhivago dan een kleine ijdele Belg.

Branaghs versie van Hercule Poirot is niet sentimenteel maar romantisch. Niet precieus maar een estheet. Geen drukdoener, maar gezegend met enige zelfspot. Als de film in Jeruzalem begint en Poirot zijn zachtgekookte eitjes met een schuifmaat laat afmeten, dan knipoogt hij zowaar naar het jongetje dat ze net vers onder de kont van de kip heeft weggegrist. Hij mag dan wel willen dat de dingen netjes in het gelid lopen, in de natuur gaat het niet zo zwart-wit. Dat loopt vooruit op de grote finale, waarin de wereldberoemde privédetective – voor wie er tot dan toe slechts één waarheid en twee smaken, goed en fout, bestaan – voor het eerst moet erkennen dat de dingen soms ingewikkelder in elkaar zitten. Net als in Christies roman uit 1934, geïnspireerd door de geruchtmakende ontvoering van de baby van luchtvaartpionier Charles Lindbergh twee jaar eerder.

Die mentale doorbraak zet Branagh nogal pretentieus aan. Als Hercule Poirot zijn verdachten bijeenroept, dan is dat niet in de salon, maar aan een grote tafel voor de ingang van een tunnel. Dit is niet langer ‘de butler heeft het gedaan’, maar ‘het laatste avondmaal’, met een Poirot die in zijn shakespeareaanse slotpleidooi klinkt als Hamlet. Maar tegen die tijd heeft de nostalgie van de film je al stevig te pakken.

Als Poirot vervolgens wordt weggeroepen om een ‘moord op de Nijl’ op te lossen, begrijpen we: Branagh is nog niet klaar met de Belgische speurneus. En zijn studio vermoedt dat de rijp is voor een Agatha Christie-filmfranchise.