Column

Als Vlaming wil ik niet altijd het wrattenzwijn zijn

Column Sabeth Snijders

Sabeth Snijders vraagt zich af hoeveel invloed de rollen van Vlaamse stemacteurs in nagesynchroniseerde animatiefilms hebben op het beeld dat bij Nederlanders van Vlamingen bestaat.

Filmstill The Lion King

‘Zelfs als je kwaad bent, klink je schattig”, het is een opmerking die iedere in Nederland wonende Vlaming (zoals ikzelf) op de kast jaagt. Zeker als die Vlaming zelf overtuigd was een inhoudelijk punt te hebben gemaakt.

Ik moest eraan denken terwijl ik een van de vele kinderfilms bekeek die momenteel in de Nederlandse bioscoop spelen: De Kleine Vampier. Hierin gaan griezelboekenliefhebber Anton en een puberende vampier in de bossen van Transylvanië de strijd aan met een vampierenjager en zijn slungelige hulpje. Ik vermoed dat zelfs de zesjarigen op wie deze film mikt, weinig respect hebben voor dit stuntelende Vlaamssprekende jagersduo. Ze slagen er zelden in de Noord-Nederlands sprekende hoofdpersonen echt in het nauw te drijven.

Komt de associatie tussen Vlaams en schattig of knullig soms door kinderfilms? Een Vlaams accent en stuntelen lijken onlosmakelijk met elkaar verbonden in animatiefilms waar veel van mijn Vlaamse én Nederlandse leeftijdsgenoten mee zijn opgegroeid. Voor 1995 werd er slechts één Nederlandstalige versie van Disneyfilms gemaakt voor het hele Nederlandse taalgebied. Als er sporadisch een Vlaams geluid te horen was tussen alle Nederlandse stemacteurs, was dat voor een personage dat moest zorgen voor een komische noot. Eentje die je het liefst een aai over de bol wilde geven. Van een straatkat in de Aristokatten (1970), via de dikbuikige Sultan in Aladdin (1992) tot het wrattenzwijn Pumbaa en zijn vriendje Timon in de Leeuwenkoning (1994). Maar als 31-jarige wil je tijdens discussies niet geassocieerd worden met een wrattenzwijn, bewust of onbewust.

Veel van de humor in Disneyfilms komt trouwens door het inzetten van accenten. Denk aan de Surinaamse tongval van de krab Sebastiaan in Ariel de Kleine Zeemeermin, die in het origineel Jamaicaans-Engels sprak. In De Kleine Vampier duikt trouwelijk ook een Beiers koppel op dat er wat betreft accent absoluut niet beter vanaf komt dan de Vlamingen.

Sinds 1995 maken grote animatiestudio’s vaak aparte nagesynchroniseerde versies van hun kinderfilms voor de Vlaamse en Nederlandse markt. Vooral uit commerciële overwegingen; de Vlaming vindt personages met lokale dialecten blijkbaar sympathieker dan ‘Hollanders’. Maar bij films met minder grote budgetten, zoals de Kleine Vampier, wordt er wel nog regelmatig voor gekozen om films te dubben met een gemengde stemmencast zodat de films in het hele Nederlandstalige taalgebied kunnen worden vertoond. En daar gaan de Vlamingen niet met de stoerste rollen aan de haal; zie afgelopen jaar in de Nederlandstalige versie van de Zwitserse kinderfilm Sepp, de wolvenvriend. In die kinderfilm spreekt iedereen in een Alpendorpje Noord-Nederlands. Alleen een roodharige, hebberige winkelier heeft een Belgisch-Nederlandse tongval. Rood haar én Vlaams, dan heb je het niet getroffen.

Terwijl de twee in het Vlaams vloekende vampierenjagers voor de zoveelste maal naast hun prooi grijpen, vraag ik me af of de associatie Vlaams en schattig zou verdwijnen als overal werd gekozen voor een gescheiden stemmencast, ook in kleinere filmproducties. Maar wat doe je dan met tv-series? De Vlaamse hoofdredacteur van deze krant vertelde tijdens een lezing eens hoe hij de dochter van een Nederlandse collega over hem hoorde fluisteren: „Mama, dat is een kabouter.”

Maar ik wil noch Kabouter Plop zijn, noch wrattenzwijn. Ik wil gewoon de rol van vampier. Mét rood haar als het even kan.