Recensie

Magisch gezoem en fonkelende samenzang van Cappella Amsterdam

De Boetepsalmen zijn Schnittkes meesterwerk voor a-capellakoor. Cappella Amsterdam zong het werk vrijdagavond met gloeiende zeggingskracht.

Cappella Amsterdam verloor afgelopen zomer haar subsidie van het Fonds Podiumkunsten – en werd twee maanden later genomineerd voor een Edison Klassiek, voor de cd met Arvo Pärts Kanon Pokajanen. Aan de kwaliteit ligt het niet, met andere woorden. Daarover liet Cappella Amsterdam ook vrijdagavond, in een ander groot Slavisch-spiritueel koorwerk, de Boetepsalmen van Alfred Schnittke, geen misverstand bestaan. Het was de eerste integrale uitvoering van Schnittkes a-capellameesterwerk door een Nederlands koor.

Schnittke (1934-1998) is de componist van een reusachtig, bezeten oeuvre in een stijl die hijzelf ‘polystilistisch’ noemde. De geniale gekte van bijvoorbeeld het ontsporende Concerto Grosso nr. 1 is nochtans ver te zoeken in de Boetepsalmen (1988), die hij na zijn bekering tot het katholicisme componeerde voor het duizendjarig jubileum van de Russisch-Orthodoxe Kerk. Maar geniaal is het werk wel. De teksten zijn geen psalmen, maar persoonlijke gedichten van anonieme zestiende-eeuwse monniken over schuld en verlossing, en over de gruwelijke dubbele broedermoord op twee jonge prinsjes, die de eerste Russische heiligen werden.

Lees ook het interview met Bas van Drooge, zakelijk leider van Cappella: ‘Soms is tegenwind goed om jezelf opnieuw te moeten definiëren’

De technische moeilijkheden van de Boetepsalmen zijn enorm: extreme liggingen, grote contrasten, parallelle sprongen, plotse wendingen van verfijnde polyfonie naar clusterakkoorden of ontknopingen van stralende tonaliteit. Cappella, in terra tunieken en een stemmig duistere enscenering, excelleerde op vrijwel alle fronten met fonkelende samenzang. En veel belangrijker dan een enkele onvolkomenheid was de gloeiende zeggingskracht waarmee de twaalf zeer verschillende liederen gebracht werden. Het allermooist: zoals de laatste woorden van het elfde lied wegstierven in magisch gezoem, als van een lang geleden aangeslagen klok.