‘Het talent van vrouwen wordt niet benut’

Ongelijkheid
Nederland kelderde dit jaar van de 16e naar de 32ste plaats op de Global Gender Gap Index. Hoe serieus moeten we dat nemen?

Man in pak met kind in The City (Londen). In Nederland vervullen mannen veel minder vaak dan vrouwen zorgtaken thuis. Foto Getty Images

Burundi, Bulgarije, Namibië. de Filippijnen, Nicaragua. Het aantal landen waar de gelijkheid tussen mannen en vrouwen gróter is dan in Nederland is opnieuw toegenomen. Afgelopen week bleek dat Nederland is gezakt van plaats 16 naar plaats 32 op de jaarlijkse ranglijst van het World Economic Forum (WEF), waarvoor 144 landen werden onderzocht. Hoe serieus moeten we dat nemen? Neemt de gelijkheid in Nederland werkelijk af?

De ‘genderkloof’ die de positie op de ranglijst bepaalt, wordt berekend op basis van cijfers over onderwijs, gezondheid, werk en inkomen en politieke macht. In Nederland is die kloof dit jaar minder ver gedicht dan vorig jaar: bijna 74 versus 76 procent. Het gaat dus inderdaad iets slechter met de gelijkheid in Nederland.

Maar dat Nederland op de 32ste plaats van de Global Gender Gap Index staat en bijvoorbeeld Rwanda op de vierde (de kloof is daar voor ruim 82 procent gedicht), wil niet zeggen dat vrouwen in Rwanda het beter hebben. De onderzoekers keken naar gelijkheid, niet naar ontwikkelingsniveau. Zo móéten vrouwen in Rwanda wel werken, om het gezin te kunnen onderhouden. Hun arbeidsparticipatie is daarom hoger dan die van Nederlandse vrouwen (88,4 versus 74,2 procent) en meer gelijk aan die van de mannen.

Je ziet dat Nederlandse vrouwen het na hun dertigste lastig krijgen om hun werk te combineren met zorgtaken

Maar: Rwandese vrouwen verdienen niet veel minder dan de mannen, terwijl het gemiddelde salaris van een Nederlandse vrouw minder dan de helft bedraagt van dat van een man. Dat salarisverschil is zelfs zo groot, dat Nederland onderaan de ranglijst bungelt op dit onderdeel: plaats 115. Het massale deeltijdwerken van Nederlandse vrouwen, uniek in de wereld, is daarvan een belangrijke oorzaak.

En ook in de Rwandese politiek zijn de vrouwen een stuk beter vertegenwoordigd dan in de Nederlandse: ruim 60 procent van de parlementsleden in Rwanda is vrouw, bijna de helft van de ministers. In Nederland zijn zowel de parlementsleden als de ministers veel vaker man. Voor allebei geldt dat ruim een derde vrouw is.

Een andere nuance is dat de verschillen klein zijn tussen de zestiende plaats en de nieuwe positie. Maar waar veel landen het beter doen dan vorig jaar, scoort Nederland op een aantal vlakken juist slechter. Zo zijn er dit jaar minder vrouwelijke ministers en parlementsleden en is het aandeel vrouwen in wetgevende en leidinggevende beroepen afgenomen, van 26 procent in 2016 naar 25,4 procent. De daling op de lijst komt dus vooral doordat ándere landen hun genderkloof verder hebben gedicht.

Kampioen deeltijdwerken

Toch is het niet zo dat „we door het ijs zijn gezakt”, zegt hoogleraar Henk Volberda van de Rotterdam School of Management. Zijn onderzoeksteam, het Erasmus Centre for Business Innovation, is partnerinstituut van het World Economic Forum en verantwoordelijk voor het aanleveren van de Nederlandse kwalitatieve data. Per land werd, naast secundaire data van bijvoorbeeld de Wereldbank, gebruik gemaakt van een vragenlijst onder managers. In Nederland vulden zo’n 80 bedrijven de vragenlijst in. In absolute cijfers gaat het niet zo veel slechter, zegt Volberda. Bovendien is het maar net welke factoren er gemeten worden. Het wordt Nederland bijvoorbeeld zwaar aangerekend dat er nog nooit een vrouwelijke minister-president is geweest. Want gaat het om onderwijsprestaties, dan staat Nederland juist weer op de eerste plaats: Nederlandse vrouwen scoren op alle onderzochte onderwijsniveaus beter dan de mannen. Volberda: „Dat vind ik een baken van hoop voor de toekomst. Want als het onderwijsniveau van vrouwen toeneemt, heeft dat ook invloed op de andere pijlers.”

Het gaat er dan ook niet per se om waar Nederland staat op de ranglijst, vindt hij, maar „om welke lessen we ervan kunnen leren”. Daarom is het beter Nederland niet te vergelijken met onderontwikkelde economieën, maar bijvoorbeeld wel met de Scandinavische landen, die volgens Volberda een vergelijkbare cultuur hebben.

Maar: daar kelderen de salarissen van vrouwen níet vanaf hun 32ste, omdat ze minder gaan werken. Vrouwen steken er níet veel meer tijd in onbetaalde zorgtaken dan de mannen, zijn er bovendien minder afwezig in snelgroeiende, goed betaalde sectoren als de ICT en in die landen wordt een vrouw soms wél premier.

Het WEF schrijft in zijn rapport dat talent een van de meest essentiële factoren is voor de positie ten opzichte van andere landen. In Nederland wordt het aanwezige talent van vrouwen onvoldoende benut, zegt Volberda. Hij ziet het om zich heen gebeuren, als hoogleraar strategisch management en ondernemingbeleid aan de Erasmus Universiteit. Hij heeft veel vrouwelijke studenten en promovendi, die ook nog eens „veel hogere cijfers” halen. Eenmaal aan het werk vallen ze als jonge dertigers een voor een uit. „Je ziet dat Nederlandse vrouwen het dan lastig krijgen om hun werk te combineren met zorgtaken.”

Om te voorkomen dat Nederlandse vrouwen massaal blijven kiezen voor deeltijdbanen, is volgens hem daarom meer „steunbeleid” nodig. Volberda: „Betere kinderopvang en meer ouderschapsverlof voor mannen. En de mogelijkheid ook met vier dagen werken een topfunctie te bereiken.”

Bovendien heeft een quotum er in landen als Noorwegen en IJsland voor gezorgd dat de raden van commissarissen van beursgenoteerde bedrijven voor 40 procent uit vrouwen bestaan. In Nederland is dat bijna 25 procent. Volberda: „Ik begrijp de tegenstanders van quota, maar volgens het WEF duurt het nog 61 jaar voordat we in West-Europa volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen bereiken. Willen we echt nog zo lang wachten?”