Recensie

Gelders Orkest speelt in uitstekende vorm

Concertmeester Cécile Huijnen had als solist in Brahms Dubbelconcert een klik met cellist Maximilian Hornung.

Dirigent Antonello Manacorda hield de boog meesterlijk op spanning. Foto René Knoop

Het is al november en pas afgelopen weekend speelde het Gelders Orkest zijn eerste symfonische programma van het seizoen. Dat lijkt laat, maar de eerste maanden na de zomer stonden in het teken van buitenconcerten en de nog altijd durende La Traviata-tournee met de Reisopera. In het gevarieerde programma – Hendrik Andriessen, Brahms, Sibelius – toonde het orkest zich onder chef Manacorda in uitstekende vorm.

In het Dubbelconcert van Brahms soleerde concertmeester Cécile Huijnen samen met de jonge Duitse stercellist Maximilian Hornung, die het werk eerder met Anne-Sophie Mutter uitvoerde. Hornung heeft een puntgave techniek en een grote expressieve toon, waarmee hij in de openingscadens direct indruk maakte. Maar Huijnen, lichter en slanker van toon, deed amper voor hem onder, en de twee hadden duidelijk een klik. Bij Huijnen wenste je soms hooguit een iets vuriger articulatie in het snelle passagewerk, wanneer de stilering het won van de uitdrukkingskracht. Antonello Manacorda begeleidde zoals je verwacht van de ervaren operadirigent die hij ook is: hij bood zijn solisten de ruimte om te zingen. Maar wanneer nodig gaf hij wel vol gas, zoals in het opwindende slotdeel.

De Vijfde symfonie van Sibelius, geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog, paart een romantische klank aan een onconventionele, ‘moderne’ vorm, vol ambiguïteit en in elkaar vervloeiende secties. Elk van de drie delen is een grote organische beweging die vraagt om een dirigent met een fijne antenne voor golfslag en nuance. Manacorda hield de boog steeds meesterlijk op spanning. Zo klonk de aaneenschakeling van sferen in het eerste deel, van duister en dreigend tot vrolijk ontwakend, als een volkomen overtuigende psychologische reis, met de prachtige fagotsolo van Renée Knigge als melancholiek rustpunt.