Interview

Een strenge coach is de dood in de pot

Michiel van Nieuwstadt

Strikte opdrachten aan sporters doven de creativiteit, speelse training is cruciaal, aldus sportschrijver Michiel van Nieuwstadt.

Michiel van Nieuwstadt: „Een topvoetballer als Bergkamp trainde op een specifieke, speelse manier.” Foto Peter de Krom

Speelser, de sporttraining moet speelser worden. Dat levert betere sporters op. En een coach moet zijn sporter, of zijn team, niet met te veel opdrachten het veld insturen. Dan zien ze onverwachte, winnende mogelijkheden over het hoofd. Anders gezegd: ze zien dan de gorilla in het veld niet.

Het gorillavoorbeeld gebruikt Michiel van Nieuwstadt in zijn net uitgekomen boek Succesvol Sporten om te laten zien hoe sporters die met opdrachten zijn overladen het overzicht kwijt kunnen raken. De gorilla, althans een man in een gorillapak, liep in een filmpje dwars door een groepje basketballers die gewoon doorspeelden. Studenten die naar het filmpje keken kregen de opdracht om te tellen hoe vaak de spelers de bal aan elkaar overspeelden. Meer dan de helft van de tellende studenten zag de gorilla niet.

Een sportonderzoeker in Keulen testte het in een echte wedstrijd. Spelers die als strikte opdracht meekregen goed op te letten waar hun directe tegenspeler stond, misten vaak de momenten waarop een medespeler helemaal vrij stond. De scoringskans ging verloren. Een strenge coach is de dood in de pot.

Van Nieuwstadt: „Met speels bedoel ik trouwens dat de trainer onverwachte situaties creëert. Het is wel intensief trainen. Voetballers hebben bijvoorbeeld baat bij zoveel mogelijk balcontact in situaties waarin ze creatief moeten reageren. Het langdurig trainen op losse technieken – draaien, kappen, bal stilleggen, schieten – heeft niet zoveel zin.”

Sporters kunnen hun eigen optimale techniek ook heel goed zelf ontwikkelen, blijkt uit onderzoek. De ideale trap-, sla-, zwem-, werp-, kop-, serveer-, of looptechniek bestaat niet. Wie de bewegingen van topsporters met hogesnelheidscamera’s analyseert, ziet dat alle toppers hun eigen techniek hebben.

„Er is natuurlijk voor iedere beweging een bandbreedte waarbinnen ze allemaal zitten, maar de ‘ideale’ hoeken tussen ledematen kunnen best 10 tot 20 graden verschillen. Maar los daarvan: uit onderzoek weten we dat je bijvoorbeeld een tennisservice waarschijnlijk beter leert met trainen waar de bal terechtkomt dan een aanwijzing als ‘je moet je elleboog wat hoger houden’.”

Hoe is het in Nederland eigenlijk gesteld met het trainen van sporters?

„In de twee grote veldsporten, voetbal en hockey, zijn de afgelopen jaren plannen gemaakt voor betere jeugdopleidingen en trainingsmethoden. Beide hebben het idee dat elke training een brokje van een wedstrijd moet zijn. Dat is op zichzelf een goed idee, maar je kunt oefeningen er zo ingewikkeld mee maken dat zeker jonge spelers er niets meer van snappen. Ik vind dat dat in het hockey soms gebeurt. De hockeybond wil dat je je steeds realiseert dat je dicht bij je eigen doel weinig risico’s neemt, zodat je geen balverlies lijdt. Verder weg mag je wat meer risico nemen. Het veld is daarvoor in drie zones ingedeeld. Een oefening is dan al snel heel complex.”

Hoe kan het anders?

„In de Spaanse voetbaltraining zijn veel meer wedstrijdonderdelen zinvol geïsoleerd. Er is een spelvorm waarbij je een bal krijgt aangespeeld met twee verdedigers tegenover je. De bal moet je aannemen en direct doorspelen. Je moet van tevoren zien welke ruimte je hebt om de bal te spelen en daar houd je al rekening mee als je de bal aanneemt – binnenkant voet of buitenkant voet bijvoorbeeld.”

Waarom is het Nederlandse mannenvoetbalelftal momenteel zo slecht?

„Als je in Amsterdam bent geboren heb je tweemaal zo veel kans om de eredivisie te halen. Talent in de provincie wordt dus onvoldoende opgepikt. Er wordt traditioneel ook niet op verdedigers gescout, maar op aanvallers. Verdediger kun je altijd nog worden, is het idee. En als je in de jeugd alle kinderen uit hetzelfde geboortejaar steeds bij elkaar laat spelen, lijken de oudsten in dat jaar altijd beter. De jongsten kunnen veel meer talent hebben, maar je raakt ze kwijt. De Duitsers zaten 15 jaar geleden in net zo’n dip als Nederland nu meemaakt. Daar zijn ze alle voetballers gaan bekijken, tot diep in de provincie. En ze leiden de jeugdtrainers nu goed op.”

Je maakt je boek aantrekkelijk met verhalen over toppers. Zijn dat eigenlijk wel bruikbare voorbeelden? Bijna niemand wordt een topper.

„Nee, er zijn grote verschillen tussen toppers en gewone sporters als jij en ik. Maar toppers vertellen boeiend over hoe ze hebben getraind en de kans dat ze het helemaal verkeerd hebben gedaan is heel klein. Dus we kunnen wel van ze leren.”

Zwemtrainer Marcel Wouda zegt in je boek dat het trainen van een topper een groot wetenschappelijk experiment met één proefpersoon is. Dat klinkt niet erg als wetenschap met een nuttige uitkomst.

„Maar het onderzoek over trainen en coachen dat ik aanhaal is vaak gedaan met amateurs, of met beginners. Er komen resultaten uit, bijvoorbeeld over de zin van focus, die je in de verhalen van toppers terugziet.” Focus, dat betekent doelgericht bezig zijn en gericht kijken. Waarnaar is onderwerp van discussie.”

Hoe is de kwaliteit van het onderzoek? Is er goede statistische significantie? Wordt er gerepliceerd?

„Sommig onderzoek, zoals dat naar de zin van externe focus, staat als een huis. Dan is er gerepliceerd. Ander onderzoek is twijfelachtig. Of speelse training, met onverwachte situaties, later uitstekende prestaties oplevert is bijvoorbeeld niet goed onderzocht. Een topvoetballer als Bergkamp kon onverwachte scoringskansen geniaal benutten. Hij trainde op een specifieke, speelse manier. Het verband tussen beide lijkt mij logisch, maar is nooit wetenschappelijk onderzocht.”

Succesvol sporten – is dat winnen?

„Niet per se. Je kunt een wedstrijd verliezen en er toch van genieten, dan ben je een succesvol sporter.”

Dat staat niet in het boek. Daar staan winnende toppers model. De hockeybond noemt ‘wedstrijden winnen’ het doel van hockey, schrijf je. En de voetbalbond komt met het rapport ‘Winnaars van morgen’. Beide bonden weten dat er elk weekend weer net zoveel winnaars als verliezers onder hun leden zijn. En dat topsport niet gezond is.

„Ja, maar iets in mij vindt winnen gewoon leuk. Misschien omdat we vroeger op de bank zaten te juichen als we naar een wedstrijd keken.”

Sport je zelf? Coach je ook?

„Ik sport veel en ben nergens buitengewoon goed in. Ik loop hard. Voetballen vind ik nog steeds superleuk. Ik tennis. Tegen de midlifecrisis heb ik kitesurfen opgepakt. Golfsurfen heb ik afgelopen jaar ook gedaan. Ik sta heel enthousiast langs de kant als mijn dochters hockeyen. Coachen heb ik even gedaan, maar anderen deden dat liever. Dus ik ben de stuurman aan wal.”

Michiel van Nieuwstadt. Succesvol sporten. Uitgeverij Nieuw Amsterdam. 208 blz. €19,99.