Column

De frustratie van Kousbroek

De omgang met eigenwijze mensen is altijd lastig. Ze zijn zo vervuld van hun eigen gelijk dat een wezenlijke gedachtewisseling niet mogelijk is. Het is alsof ze een hoge muur voor zich hebben opgetrokken waar niemand overheen kan. Daarachter verbergen ze zich, zonder te luisteren.

Dat gevoel krijg ik vaak als ik over Gerard Reve lees, zoals in het pas uitgekomen boek Seks, natuurlijk, maar vooral orde, een bundeling brieven van Rudy Kousbroek aan Reve. Daarin ontbreken de brieven van Reve, die volgens de samenstellers „nu niet beschikbaar waren voor publicatie”. Ik betwijfel of dat een groot gemis is, want Reve placht zelden diep in te gaan op brieven van een ander.

Bij Kousbroek proef je in deze bundel de groeiende frustratie over die houding. Hij probeert Reve tevergeefs over te halen om inhoudelijk te reageren op zijn ideeën over vooral religie. Toch is het numerieke aandeel van Reve in deze correspondentie veel groter dan dat van Kousbroek. In de periode tussen 1979 en 1989 schreef Reve 173 brieven aan Kousbroek, terwijl Kousbroek er slechts 24 aan Reve schreef.

Een aantal belangrijke citaten uit Kousbroeks brieven waren al in de Reve-biografie van Nop Maas te vinden (vooral in het derde deel, De late jaren), maar toch is het interessant om ze in hun context te lezen. Spannend ook, omdat Kousbroek zijn beroemde penvriend allerminst spaart. Hij laat merken dat hij zich ergert aan het uitblijven van een reële reactie. Als lezer voel je de fatale botsing van fundamenteel verschillende wereldbeelden naderbij komen.

Reve geloofde in God, Kousbroek niet – daar komt het, zéér kort samengevat, op neer. „Wat mijzelf betreft”, schrijft Kousbroek al in 1979, „ik ben als kind van een jaar of tien, elf tot de slotsom gekomen dat het net zoiets was als Sinterklaas, ik heb het sindsdien altijd beschamende nonsens gevonden en er nooit behoefte aan gevoeld.” Met de dood hield voor hem alles op, geloven zag hij als een vorm van ‘wishful thinking’.

Was Kousbroek daarin misschien even eigenwijs als Reve? Tot op zekere hoogte wel, maar het verschil is toch dat Kousbroek nieuwsgierig blijft naar de argumenten en motieven van de ander. Vandaar zijn teleurstelling als Reve kennelijk steeds weer volstaat met de constatering dat Kousbroek zich te rationeel tegenover religie opstelt.

„Mijn elan loopt ook een beetje vast in de mismoedige gedachte dat je dit toch niet leest of niet goed leest”, schrijft Kousbroek in 1982, „of er niet op ingaat en mij in de volgende of daaropvolgende brief weer gewoon mijn mechanistische of materialistische wereldvisie zult verwijten, en over twee weken dat de wetenschap weigert de astrologische hypothese te toetsen.”

De vraag is waarom Kousbroek niet eerder ophield met deze correspondentie en vriendschap. Ik vermoed omdat hij Reve mateloos bewonderde om iets wat hij, de essayist, zelf niet goed kon of durfde: fictie schrijven. Zelfs romans die ik tot het mindere werk van Reve reken, zoals Bezorgde ouders, beschouwde Kousbroek nog als meesterwerken.

Het heeft iets treurigs dat twee zulke briljante schrijvers op den duur niets meer van elkaar wilden weten, wat Kousbroek (en Reve trouwens ook) al eerder overkwam met W.F. Hermans.