Column

Wie profiteert van de nieuw ontstane kloof?

Wie vorige week naar het debat over de regeringsverklaring luisterde, bekroop onvermijdelijk een gevoel van somberheid. De voorgestelde oplossingen waren weliswaar typisch Nederlands in hun bescheidenheid (terugdraaien van bezuiniging op de wijkverpleging en een vlag in de Kamer) maar de retoriek was er niet minder dramatisch om. De oppositie waarschuwde voor „rampen” (Roemer), „ondergang” (Wilders) en „verval” (Baudet). De regeringspartijen wilden uiteraard niet hun eigen beleid koppelen aan beelden van dood en verderf, maar ze probeerden wel zo nuchter mogelijk over te komen. Dus sprak Buma over „versoberingen”, riep Rutte op tot „realisme” en prees Pechtold het regeerakkoord aan als „nuchtere politieke realiteit”.

Het zijn uitingen van wat ik de nieuwe kloof zou willen noemen. De somberheid van de crisisjaren zit er in Den Haag blijkbaar nog zo diep in dat men helemaal niet doorheeft dat de samenleving het crisisgevoel allang achter zich heeft gelaten. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de door de nieuwe coalitie uitgebreid geprezen Gewone Nederlanders inmiddels een buitengewoon zonnige kijk hebben op de staat van onze economie. Het Amerikaanse Pew Research Center publiceerde dit voorjaar een peiling waaruit bleek dat we op dat punt internationaal zelfs koploper zijn. Van alle Nederlandse respondenten gaf 87 procent aan de economische situatie in ons land positief in te schatten. Het vorige maand verschenen kwartaalbericht Burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) bevestigt dit: 80 procent geeft de economie een voldoende, 86 procent ziet de komende twaalf maanden geen verslechtering. „Daarmee is de economische tevredenheid terug op het niveau van voor de economische crisis”, aldus het SCP.

Het is een politieke wetmatigheid dat elke kloof wordt benut als gat in de markt

Hetzelfde geldt voor Nederlandse gehechtheid aan Europese samenwerking. In politiek Den Haag, en inmiddels ook in een aanzienlijk deel van het commentariaat, lijkt de verhouding eurosceptici-europositieven welhaast 80-20. Men sombert wat af, vooral over de ‘tot ondergang gedoemde’ euro. Dit pessimisme staat haaks op het groeiende pro-EU sentiment onder de bevolking. Daar lijkt de verhouding eerder 80-20 ten voordele van het europositivisme.

In 2009 gaf in een door het Europees Parlement gepubliceerd onderzoek 74 procent van de Nederlandse respondenten aan het EU-lidmaatschap positief te waarderen. Op het dieptepunt van de crisis daalde dat naar 62 procent (2013), maar inmiddels ligt het alweer op 79 procent – ruim boven de score voor de eurocrisis. Volgens de Eurobarometer van 2016 was zo’n 80 procent van de Nederlandse respondenten voor een gezamenlijk Europees veiligheidsbeleid en migratiebeleid. Zelfs het eurolidmaatschap lijkt inmiddels op brede steun te rekenen: in februari werd die geschat op 78 procent. Daarmee keert ons land qua euro-enthousiasme niet alleen terug naar het niveau van voor de crisis, maar behoort het ook tot de kopgroep van meest enthousiaste pro-eurolanden.

De nieuwe kloof is inmiddels voor iedereen zichtbaar. Iedereen, behalve politiek Den Haag. Er is daarmee ruimte aan het ontstaan voor een partij die optimisme over het potentieel van de Nederlandse economie en de veerkracht van onze samenleving weet te combineren met een al uitgesproken pro-Europese boodschap. Een soort En Marche! dus, maar dan op Nederlandse maat gesneden: enthousiast, maar op een nuchtere manier. Het is een politieke wetmatigheid dat elke kloof uiteindelijk wordt benut als gat in de markt. Zo deden de ‘kinderen van Fortuyn’ het met de vorige kloof. Het zal met deze nieuwe kloof niet anders gaan.