Recensie

Thomas Acda ontroert als Tevje in nieuwe Fiddler

Alles wat showy had kunnen zijn is vermeden in Fiddler on the Roof van regisseur Ruut Weissman. Met Thomas Acda als Tevje.

Thomas Acda en Hanna van Vliet in Fiddler on the Roof. Foto Roy Beusker

‘Beter een slechte man dan géén man”, redeneren de Joodse inwoners van het stadje Anatevka, in tsaristisch Rusland rondom de voorlaatste eeuwwisseling. En dus worden daar de huwelijken doorgaans gesloten via een koppelaarster, waarna de ouders het laatste woord hebben over de partnerkeuze. Zo ook Tevje, de melkman die drie dochters in de huwbare leeftijd heeft.

Maar in de Broadway-klassieker Fiddler on the roof uit 1964, gebaseerd op de verhalen van de jiddische schrijver Sholem Aleichem en in Nederland bekender onder de titel Anatevka, komen die tradities allengs onder druk te staan. Al was het maar omdat de Joden het leven in Oost-Europa steeds onmogelijker wordt gemaakt. Niet voor niets zit het voltallige ensemble in de openingsscène in hedendaagse kledij aan een lange tafel in een brandtrappendecor dat doet denken aan de Joodse woonwijken in Brooklyn – daar vonden velen van hen destijds een veilig inkomen. De opkomst van Tevje, met zijn melkkar, fungeert hier als het begin van een avondvullende flashback naar een wereld die honderd jaar geleden hardhandig is vernietigd.

De nieuwe Tevje is Thomas Acda, die de twee kanten van zijn rol luisterrijk in evenwicht houdt. Halsstarrig dwingt hij zijn dochters de tradities in ere te houden („wat jij wil en wat jij kan, dat bepaal ík”), maar tegelijk weet hij de sympathie van het publiek te behouden door begrip op te wekken voor zijn behoudzucht. Als zijn wereldbeeld begint te wankelen, wordt hij zelfs ontroerend. Hij is de amateurpsycholoog die met God in discussie treedt over het lot van de Joden (en het zijne in het bijzonder) en grossiert in zelfgemaakte wijsheden: „Spuug in de lucht en het zal op je gezicht terechtkomen”. Op aandoenlijk stramme benen stampt hij mee in de kringdansen die destijds tot de joodse folklore behoorden. En vol verlangen zingt hij ‘Als ik nou eens rijk was’, de grootste hit die Fiddler heeft voortgebracht.

Teaser van Fiddler on the Roof.

De muziek wordt in deze productie tot flonkeren gebracht door een klein maar fijn orkestje van Jeroen Sleyfer, waarin de strijkers de toon aangeven. Opnieuw valt op hoe authentiek de melodietjes van componist Jerry Bock nog altijd zijn – alsof ze niet op Broadway zijn ontstaan, maar in Oost-Europa. En de nieuwe vertaling van Rob de Graaf vloeit daarmee levensecht samen.

Authenticiteit lijkt ook het sleutelwoord voor de regie van Ruut Weissman. Alles wat showy had kunnen zijn, is vermeden. Grote gebaren, vocaal stuntwerk en decorspektakel ontbreken. De toon is licht. Eva van Gessel, Hanna van Vliet en Sarah Janneh spelen de huwbare dochters als jonge vrouwen die oprecht voor zichzelf opkomen. Golde, de toegewijde vrouw van Tevje, wordt zuiver getypeerd door Judith Linssen. En Doris Baaten toont als de koppelaarster een tragikomisch kantje dat deernis opwekt. Als er geen markt voor gearrangeerde huwelijken meer is, is zij immers brodeloos.

Dat er in enkele kleinere rollen net iets minder expressief wordt gezongen dan in de rest van de voorstelling, is bijzaak in deze gelaagde, ruimschoots geslaagde reprise. Goed dat er weer een nieuwe Fiddler is.