Op z’n janboerenfluitjes naar de titel

EK veldrijden

Mathieu van der Poel wint zijn eerste Europese titel. Tegenstand had hij nauwelijks op zijn favoriete parcours in Tábor.

Mathieu van der Poel na afloop van het EK Veldrijden. Foto Dick Soepenberg/ANP

Op een loodgrijze zondagmiddag in Zuid-Bohemen klinkt even na half drie een startschot voor iets meer dan veertig veldrijders. Het heet een wedstrijd om een kampioenstrui te zijn, een blauw-witte, behorend bij de Europese titel.

Er doen negen Belgen mee, zes Nederlanders, en een groep ‘exoten’ in deze verbeneluxete sport: verdwaalde Fransen, Tsjechen, Zwitsers. Ze doen dat voor spek en bonen.

Want ze zijn bij voorbaat kansloos: Mathieu van der Poel (22) heeft zich ook ingeschreven. De geblokte Nederlander liet vooraf zelfs weten dat hij maar wat graag zijn eerste Europese titel zou binnenslepen op een parcours dat hem op het lijf geschreven is. Het rondje in de heuvelachtige weide van Tábor ligt er zonder al te veel modder en dus snel bij, is bochtig, en er zijn balken om vol acrobatiek overheen te springen en iedereen het nakijken te geven – hét handelsmerk van ‘MvdP’.

Niet dat het dit seizoen ook maar iets uitmaakt welk parcours hem voor de wielen ligt: de man heerst overal waar hij aan de start verschijnt, twaalf van de veertien races won hij voor deze zondag, wát een dominantie. En alsof het niet genoeg is heeft-ie nog een mentaal voordeel ook, daar in Tsjechië: in 2015 werd hij op hetzelfde parcours de jongste wereldkampioen veldrijden ooit. En oh ja, de enige man die hem normaliter bij kan houden, de Vlaming Wout Van Aert, heeft een mentale adempauze ingelast en zit in Toscane.

Lees over de onaantastbaarheid van Mathieu van der Poel dit seizoen: Hij is de alleenheerser van de cross, zelfs gehavend

Dat startschot dus, en dan begint de wekelijkse onemanshow. Van der Poel zet zich schokschouderend aan kop, jaagt over de eerste asfaltstrook en jakkert daarna het onverharde op. In de eerste tien meter is het verschil al gemaakt. Hij smijt zijn crossfiets in volledige balans als over een perfect egale zoutvlakte door reliëfrijke moddergrond, de lippen op elkaar van concentratie, terwijl de rest naar adem happend over een uitgesleten bandenspoor balanceert. Wat Van der Poel laat zien is zo natuurlijk dat het lijkt alsof zijn concurrenten een andere sport beoefenen, er andere trainingsmethoden op nahouden, andere lijnen in de modder zien.

Een bocht naar rechts, anderhalve minuut na de start. Het grasveld loopt lichtjes op, en dertig meter verderop liggen houten hindernissen van een centimeter of veertig hoog. Van der Poel waaiert uit, grijpt zijn stuur beet met kolenschoppen van handen, verhoogt het bewegingsritme naar standje maximaal en stormt op twee balken af alsof ze er niet liggen. Dan een demonstratie van aanleg, van lef, van eindeloos lol trappen op zelfgebouwde hindernisbanen in de bossen van zijn woonplaats Kapellen, en daaruit voortvloeiende controle over lijf en fiets. Hij trekt eerst zijn voorwiel op, geeft dan via zijn pedalen vanuit zijn benen en bovenlijf een zwiep aan het frame en doet daarna in de lucht voorovergebogen nog eens hetzelfde met zijn achterwiel. Hij herhaalt die beweging bij de volgende balk en kan daarna met behoud van snelheid naar de heuveltop sprinten.

Onvoorstelbaar

Geen collega die het hem nadoet, op het WK drie jaar terug niet, en nu evenmin. Onvoorstelbaar eigenlijk. Zij springen van de fiets, nemen het frame ter hand, springen over de balken en moeten daarna het zadel weer op, zoekend naar de pedalen, ondertussen zowat tot stilstand komend.

Het supertalent bouwt gestaag zijn voorsprong uit op Lars van der Haar. Die heeft zijn concurrent een paar rondjes in het vizier, maar steeds bij die balken wordt het verschil weer groter. Hij wordt tweede, net als Lucinda Brand bij de vrouwen.

Van der Poel kan de race op z’n janboerenfluitjes finishen, op z’n gezicht geen vermoeidheid, meer ontspanning, misschien zelfs verveling. Want dit EK was geen wedstrijd voor hem. Het was een trainingsrondje.