Column

Isolement

Het isolement waarvoor ze ons voor de verhuizing zo hadden gewaarschuwd, had ons nog niet bij de kladden. Na een week in het dorp overheerste de tevredenheid. Bij wie je ook online had gewinkeld: de pakjesbezorger was steeds dezelfde jongen. Hij waarschuwde dat hij in de avonduren ook shoarma deed.

De slotenmaker kwam langs met een stukje vrijblijvende bangmakerij. Er waren Ierse ‘travellers’ gesignaleerd, Engelstalige klusjesmannen die je maar beter niet kon binnen laten.

Feitelijk was het dorp één lange straat met wat nieuwbouw eraan vastgekoekt.

De integratie verliep goed. Ik nam dat slagadertje waaraan alles ligt – twee bakkers, een Kruidvat, een slager, een Blokker(tje) en een slijterij, ook niet onbelangrijk – inmiddels een keer of tien. Dan gaan ze vanzelf naar je zwaaien.

Zaterdag voor het eerst, we – de dochter zat op mijn schouders, we waren op weg voor een half bruin – schrokken ervan.

Zwaai-zwaai. Een zwaai terug, we vielen bijna om. Een praatje met dat echtpaar. „Wat loopt u toch vaak op en neer… Dan kijk ik uit het raam en dan zeg ik tegen hem: daar gaat die nieuwe meneer weer. Waar gaat hij toch naartoe?” ‘Hem’: „Ja, wat moet-ie toch, haha.”

– „Ik ga een brood kopen.”

Een gesprekje over cultuur. Er was sinds kort een theatertje, hij zette de tuinhandschoenen trots in de zij. Daar trad over negen dagen Freek de Jonge op, dat optreden kwam iedere dag dichterbij. „Jongen uit de streek.” Het verklaarde waarom zijn nieuwste boek in de dichtstbijzijnde boekhandel zo overdreven prominent aanwezig was.

„Die heeft hetzelfde meegemaakt als wij”, zei de man, „daar word je grappig van.” Zijn vrouw: „Dus dat wordt lachen.”

Een paar uur later kreeg ik weer een zwaai van ze, de tuin was intussen bijna winterklaar. ‘Hem’: „De bakker is al dicht hoor…”

– „Ik ga nu naar de Chinees.”

Zij: „Beste Chinees van de Zaanstreek… Nasi goreng nemen.”

De beste Chinees van de Zaanstreek was in ieder geval goed in gezichten, hij kende ons nog. De mensen lieten de kroepoek in zijn minirestaurantje vaak op de rand van hun bord liggen. Dat kon je niet meer verkopen, maar wel aan mijn dochter kwijt. Ha, daar kwam hij aangekropen, de ogen dicht bij elkaar van inspanning. Hij zwaaide met kroepoek voor haar hoofdje, net zolang tot ze het wat aarzelend nam. Daarna kwam hij omhoog en nam de bestelling op.

Op de weg terug zag ik ze uit het raam kijken.

Ik zwaaide en liet voor de zekerheid het plastic tasje zien.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.