Recensie

Goede oude tijden herleven op TakeRoot

TakeRoot Festival Terugkijken op de goede oude tijd en een montere blik op Amerika waren de norm bij de twintigste editie van TakeRoot.

The Americans tijdens TakeRoot festival. Foto Niels Knelis

Het is een overzichtelijk festival, met twintig acts op één dag en vier podia. De uitgangspunten zijn glashelder. TakeRoot programmeert rootsmuziek en americana, met een enkel uitstapje naar verwante genres en soms een artiest die nieuwe invulling geeft aan muziek die al veertig jaar uit graniet is gebeiteld. De twintigste editie van het in Assen gezaaide en sinds elf jaar in Groningen gewortelde TakeRoot bracht een sterk programma met muziek die we allemaal al kennen: country, gospel, blues, rockabilly en een vleugje indie. Met 3.000 bezoekers raakte het festival in de loop van de avond uitverkocht, met een publiek dat voor tachtig procent bestond uit oudere heren en hun vaders.

Er is hoop voor de volgende twintig jaar, want tussen de cowboyhoeden en bierbuiken was er aanwas van jongens en meiden. Die kwamen voor de stoere rockabillyrebel Jesse Dayton of de romantische singer-songwriter Andrew Combs met zijn Harry Nilsson-achtige mijmeringen, maar vooral voor een totaalprogramma waar de zalen al ruim voor aanvang volliepen, soms met lange rijen voor de ingang. Openingsact The Secret Sisters waarschuwde voor sombere liedjes en vervulde die belofte met zoete samenzang en een zuidelijke twang in de stemmen.

Jim Lauderdale en Jason Isbell waren tegenpolen in hun oerdegelijke singer-songwriterpraktijk, de een in een mooi kostuum met yin- en yangtekens en de ander in een flodderig T-shirt. Dat countrymuziek niet alleen voorbehouden is aan knoestige mannen bewees de roodharige Margo Price uit Illinois, die in gebloemde hotpants het publiek inpalmde. Meer „cheating songs” bracht de gespierde cowboy Sam Outlaw uit Californië, die met zijn nasale stem een stier had kunnen vellen. Ze brachten een monter beeld van de VS als het land van Dollywood en gelegaliseerde wiet. Alleen countryfolkzangeres Tift Merritt liet een geëngageerd geluid horen in het prachtige, aan een tekst van Raymond Carver ontleende ‘My Boat’ dat als een warm welkom aan vluchtelingen opgevat zou kunnen worden: „In mijn boot is plaats voor iedereen”.

‘My boat’ van Tift Merritt.

Terugkijken naar de goede oude tijd was de norm bij het dynamische viertal Cordovas, en de Cactus Blossoms die de samenzang van de Everly Brothers tot in de puntjes nabootsten. Stijlvol retro was ook Eilen Jewell met weemoedige folkpopliedjes over liefde voor treinen en mannen die haar de blues bezorgden. Authentiek rauwe gospelmuziek kwam van de Como Mamas, drie dames uit Mississippi die hun goddelijke inspiratie nieuwe power gaven door de stuwende werking van een Daptone-achtige ritmesectie.

Het meest uitdagende geluid kwam van gitaarwonder Steve Gunn, die de onderwereld van New York blootlegde in duister meanderende songs. Green On Red-veteraan Chuck Prophet zorgde voor de broodnodige opwinding. Hij gaf het publiek bijna letterlijk een schop onder de kont met gitaarvuurwerk en verplichte samenzang. Daarmee doorbrak hij de weldadige gezapigheid die op TakeRoot bijna overal op de loer lag.