Column

Ze noemen dit Rutte III. Maar het is: Toverballenverbond II

Deze week: Rutte en Dijkhoff die vanuit het midden de strijd met Haagse simplificaties aangaan. Ofwel: ruimte aan Baudet bieden – juist nu Baudet zo zwak debuteerde.

Tekst:

Het voelt natuurlijk goed, zo’n benoeming als minister, maar de werkelijkheid is: je komt pas echt op gang als je buigt voor de logica van het ambtelijk apparaat.

De stukken die ze je laten ondertekenen. De afspraken die ze voor je maken. De wijze waarop ze voor je denken: zaken beoordelen op risico’s, minder op kansen. Op competenties, minder op kwaliteiten.

De botsing tussen de verlangens van verse ministers en de routines van topambtenaren voltrok zich vorige week al binnenskamers nog voordat het nieuwe kabinet was aangetreden.

Wat was het geval: de drie nieuwe vicepremiers – De Jonge (CDA), Ollongren (D66), Schouten (CU) – hadden toegezegd dat zij na de beëdiging ’s avonds in Pauw zouden optreden.

Dat was gelopen via hun politiek assistenten, die tot voor kort alle drie spindoctor van hun partij in de Kamer waren.

Bij de Rijksvoorlichtingsdienst waren ze niet onder de indruk van die keuze.

Directeur-generaal Stephan Schrover wees er intern op dat debuterende vicepremiers, na een lange dag van kennismakingen, plichtplegingen en interviews, niet het risico moeten lopen dat zij op hun eerste werkdag ’s avonds laat een vergissing begaan tegenover een scherpe tv-interviewer.

Een klassieker uit het handboek voor de beginnende minister: de ambtenaar die, bedorven door ervaring, wijst op de risico’s van druistigheid. De nieuwe politicus die, gedreven door ambitie, de aandacht opzoekt.

De eerste slag werd gewonnen door de vicepremiers, die gewoon optraden in Pauw, zonder de ongelukken waarvoor de RVD waarschuwde.

Maar grappig genoeg hoorde je deze week dat de onderliggende boodschap wel degelijk aankwam. Voorlopig willen de vicepremiers zich in de media concentreren op hun portefeuille als vakminister.

Ook hun politiek assistenten conformeren zich aan de ambtelijke wereld waarin ze nu werken. Een van de oud-spindoctors zag ik deze week ’s ochtends zijn ministerie inlopen. Onder zijn arm zo’n leren documententas: zo eentje die de meeste andere ambtenaren die ochtend mee naar binnen loodsten.

Het grote raadsel van Rutte III is tot nader order de VVD. Dat de premier deze week het debat over de regeringsverklaring domineerde, lag voor de hand: debatten over regeringsverklaringen pakken standaard goed uit voor premiers. Maar nu Rutte dit al zeven jaar doet, en hij met driekwart van politiek Nederland deals heeft gesloten, begint er een opmerkelijke onpartijdigheid in zijn taal te sluipen.

Hij roemde deze week de „beperkte inkomensverschillen” in Nederland, hoewel de VVD, zei hij zelf, al „eeuwig” regeert: het vocabulaire van de sociaal-democraat. Hij had het over „de overheid als schild voor de zwakken”: de taal van de ARP, een voorloper van het CDA.

De man heeft nu met zo veel partijen zaken gedaan dat hij zelfs de woorden van de sociaal- en christen-democratie tot de zijne heeft gemaakt.

Dus dat je in de VVD al langer stemmen hebt die Ruttes premierschap willen compenseren met een harder rechts geluid in de Kamer, heeft me nooit verrast. Het was de laatste jaren de rol van Zijlstra.

Toen Klaas Dijkhoff zich aandiende als diens natuurlijke opvolger, was de verwachting in de Kamerfracties dat hij eenzelfde positionering zou kiezen. En als het kon wat scherper.

De VVD-top denkt hier anders over, een interessant verschil tussen leiders en voetvolk, en deze week zagen we het voorlopige resultaat: een Dijkhoff die zich manifesteerde als consensuszoeker zonder ideologische gedrevenheid. „Ik ga geen banen opofferen om principes te redden”, zei hij.

Dit is voortaan blijkbaar de VVD: Mark en Klaas die samen de strijd met de Haagse soundbites en simplificaties aanbinden.

Uit bestuurlijk oogpunt valt er weinig tegenin te brengen: sommige VVD’ers wezen er deze week op dat Dijkhoffs inbreng de verhoudingen in de Kamer meteen verzachtte, waardoor de oppositie weldra bereid was zaken te doen.

En feit is dat het linkse groepsverzet op sociaal-economische thema’s – dividendbelasting, btw – samenwerking over bij voorbeeld klimaat niet remde. Klaver verklapte in de Kamer zelf dat hij al volgende week woensdag een afspraak met minister Wiebes (EZ en Klimaat) over de Klimaatwet heeft.

Het verschil met Rutte II is kortom veel kleiner dan het lijkt. Die VVD/PvdA-coalitie werd overeind gehouden door begrotingsakkoorden met D66, CU en SGP, soms gesteund door CDA en GroenLinks.

Het resultaat was een Toverballenverbond, waarbij beleid altijd onverwacht van kleur kon verschieten.

En wat we nu Rutte III noemen, is in feite dus Toverballenverbond II: een samenwerking van dezelfde zeven partijen die de afgelopen vijf jaar de grote beslissingen namen, met als verschil dat de coalitie nu een andere partijencombinatie is.

Ook zijn er opmerkelijke rolwisselingen. Buma hield zich de laatste jaren afzijdig van informeel overleg met het kabinet. Afgelopen week prees hij partijen die deze bereidheid nu wel hebben. Pechtold steunde onder Rutte II alle akkoorden en had het hoogste oppositiewoord in de Kamer. Afgelopen week deed Pechtold er overwegend het zwijgen toe in de Kamer.

Intussen leek Asscher in veel opzichten aanstalten te maken de nieuwe Pechtold te worden: het hoogste woord, maar constructief in de praktijk.

Op één punt hangt er niettemin interessante verandering in de lucht. Mensen als Buma, Pechtold en Segers willen de ideeënstrijd niet staken nu ze samenwerken in een coalitie.

Dat kan ook makkelijk. Het vergt slechts dat politici ophouden te doen alsof politieke afspraken hetzelfde zijn als politieke opvattingen: alsof er geen verschil is tussen wat je wilt bereiken en kunt bereiken.

De paradox van Toverballenverbond II is dat het extra kansen biedt aan de twee zwakste debaters van deze week: Wilders en Baudet. Een VVD die in het midden samenklontert met een stuk of zes andere partijen is nu eenmaal de reden van hun bestaan.

Maar makkelijk hebben ze het niet. Wilders is nu dertien jaar partijleider, bijna twintig jaar Kamerlid, en meer dan 25 jaar werkzaam op het Binnenhof (hij was VVD-fractiemedewerker voordat hij Kamerlid werd).

Zijn repertoire wordt sleets. In maart verspeelde hij zijn beste kans ooit om de grootste te worden. En alles herhaalt zich altijd bij hem: de onrust in zijn clubje groeit weer, nu het lastig blijkt geloofwaardige raadskandidaten te vinden, en hij verzwakt in de peilingen.

Baudet heeft geen last van dit soort blues: zijn partij groeit, zijn peilingen waren tot in deze week uitstekend. Maar hij had een uitgesproken zwak optreden in het debat: de beginneling die door Rutte en Dijkhoff op zijn nummer werd gezet.

Evengoed is datzelfde Toverballenverbond voor hem nogal eenvoudig te vertalen in zijn favoriete thema: partijkartel. Dijkhoff toonde gevat aan dat het een onbewezen praatje is, maar ik weet niet of daarmee voor Baudet de publicitaire potentie is geweken.

Wel vermoed ik dat hij het in de concurrentie met PVV- en VVD-kiezers lastig zal krijgen in zijn verzet tegen de nieuwe Wet op de Inlichtingendiensten. VVD en PVV stemden voor uitbreiding van bevoegdheden met terrorismebestrijding als argument. En ik weet niet of Baudets contrapunt – privacybescherming – de tijdgeest bij het komende referendum goed aanvoelt.

Welbeschouwd was het hoogst opmerkelijk dat de twee VVD-gezichten deze week een politiek propageerden die samenwerking en prestaties boven politisering en polarisatie plaatst.

Of het electoraal zal werken weet ik niet. Zoals de meeste ministers uiteindelijk buigen voor de gewoonten van hun ambtenaren, zo ontdekken de meeste partijleiders op een dag dat politisering meer kiezers oplevert dan schappelijkheid. Maar juist dat maakt de poging van de VVD-top zo interessant.