Hij geloofde dat je vrij kunt zijn in je hart

Max Seleky (1926-2017), geboren op een Moluks eiland, koos als jongen voor het leger. Uiteindelijk bracht dat hem naar Nederland.

‘Oom Max’, links als KNIL-militair in Indonesië, was een vraagbaak voor jongeren in de Molukse gemeenschap.

Voor Max Seleky komt de erkenning te laat. Maandag kondigde het ministerie van Defensie aan dat de laatste nog levende Molukse KNIL-militairen deze maand officieel ontvangen worden op het ministerie. Niet uitgereikte medailles worden alsnog geregeld.

Max Seleky overleed begin oktober, 91 jaar oud. De ontvangst op het ministerie had hij zeker kunnen waarderen, zegt zijn zoon Juan. „Mijn vader vond het verleden belangrijk voor de toekomst.”

In de Molukse gemeenschap was ‘oom Max’ gerespecteerd als vraagbaak, vertelt Juan (67), de oudste van dertien kinderen, aan tafel in Breda. Jongeren kwamen langs met vragen over tradities rond doop of huwelijk. Seleky voelde zich thuis in zijn woonplaats Hoogeveen, waar hij actief was in de wijkraad, maar koesterde de band met zijn geboorte-eiland Buru.

Op Buru, een van de meest westelijke Molukken, hadden jongens drie beroepsopties: onderwijzer op buureiland Ambon, visser of militair. De vissersboot van vader ging naar de oudere broer. Max had al voor het leger gekozen toen Japan Nederlands-Indië bezette en een Japans detachement op Buru werd gevestigd.

Om aan dwangarbeid te ontsnappen verschool hij zich met andere jonge mannen in het bergachtige binnenland. Ze vernietigden Japanse voorraadplaatsen en voertuigen. Seleky sprak er niet graag over. Na onderzoek werd hij erkend als oud-verzetsstrijder en ontving hij vanaf 1992 met terugwerkende kracht een verzetspensioen. Juan: „Dat was een riant bedrag. Het gaf mijn ouders de mogelijkheid wel tien keer naar Indonesië te reizen.”

In 1947 meldde Seleky zich aan bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Precies op tijd om de ergste strijd tussen Nederland en de Republik Indonesia mee te maken. Zoals veel Molukkers was Seleky, 21 jaar, pro-Nederlands en koningsgezind. Op Celebes zat hij in een ondersteuningscompagnie. Ooit moest hij drie dagen lang een stelling verdedigen temidden van veertien omgekomen KNIL-soldaten. Ook daar sprak hij niet over met zijn kinderen.

De protestantse jongen uit Buru ontmoette een islamitisch meisje uit Solo, Midden-Java. Maria Christina Sutina Admidiwirij, in Hoogeveen ‘tante Jo’, gaf haar geloof op om in 1950 te kunnen trouwen. Intussen was Indonesië onafhankelijk en riepen Molukkers de Republik Maluku Selatan (RMS) uit. KNIL-militairen werden gezien als collaborateurs en waren hun leven niet zeker. In 1951 kwamen 12.500 Molukkers naar Nederland. Tijdelijk, dacht men ten onrechte – bij velen de oorzaak van blijvende woede en frustratie. Max, Jo en hun baby kwamen op 12 mei 1951 met troepentransportschip Groote Beer aan in Rotterdam.

In de jaren 50 woonde het gezin in drie woonoorden: kamp Vught, Stuifzand in Drenthe en Beugelen in Overijssel. Seleky koos voor een politieke beweging met een andere positie dan de RMS. Het Committee Rehabilitation Armymen of Maluku Selatan (CRAMS) vond erkenning van de rechten van oud-KNIL-militairen en een ‘respectvolle’ terugkeer van de Molukkers belangrijker dan een eigen republiek. Juan: „Mijn vader geloofde dat je in niet-onafhankelijke Molukken kon wonen en tegelijk vrij kon zijn in je hart.”

Seleky werkte vanaf 1958 bij een Philips-fabriek in Zwolle en vanaf 1963 bij Philips in Hoogeveen. Er waren veel Molukse collega’s uit de omgeving: Smilde, Westerbork. Het contact met Nederlanders was beperkt, al kwamen Nederlandse collega’s wel naar de doop van zijn zonen en dochters in de Molukse kerk. Alleen afdingen ging zijn vader goed af in het Nederlands, zegt Juan. In de wijk sprak hij Moluks-Maleis.

Zelfs met het sociale netwerk van de wijk en vijf in Hoogeveen wonende kinderen werd de zorg voor moeder, lijdend aan alzheimer, te zwaar. Twee maanden geleden ging ze naar een verzorgingshuis, tot verdriet van haar man. Na 67 jaar samen wilde hij niet gescheiden worden. Toen ze er in goede handen bleek, vielen de zorgen van hem af. In de wijk waren ze het laatste KNIL-echtpaar.

De generatie van Max Seleky is bijna verdwenen. Hij klaagde daar niet over, maar werd er wel verdrietig van. Vier jaar geleden maakten hij en zijn vrouw de laatste reis naar Indonesië. Ze verbleven op Bali, niet op Buru. Juan: „Mijn vader had geen verwanten van zijn generatie meer op Buru. Hij verzuchtte: bij wie kan ik daar nog logeren en over vroeger praten?”