Het deed hem iets, die vaderlandsliefde

Lamyae Aharouay zoekt de Gewone Nederlander. In deel 5 gaat ze op pad met een Zeeuwse handelsagent.

De Gewone Nederlander woont in een dorp dat rond de vijfhonderd inwoners telt. In de tweeënhalf uur die het mij kost om er heen te rijden, zie ik het rustiger en groener worden. De deur gaat al open voor ik aanbel. Hij had mijn auto horen aankomen. Het is dorpslogica; alles dat uit de toon valt, trekt de aandacht. Ik voel de ogen van de buurman in mijn rug prikken. Iedereen kent iedereen hier, maar de Gewone Nederlander houdt liever wat afstand. Hij is ’s avonds niet in het café te vinden, en ondanks dat hij volgens de regels van de kerk leeft en op zondag niet werkt, schuift hij niet aan in de kerkbankjes.

De vrouw van de Gewone Nederlander zet koffie, uit een Senseo-apparaat. Dat is voor veel mensen heel gewoon, maar ik ben op dit gebied nogal een kieskeurige snob. Wel een opgevoede snob, dus ik drink het tot de laatste druppel op. Gelukkig brengt het brokje speculaas verlichting. Eerst denk ik dat de Gewone Nederlander geen tv in zijn woonkamer heeft staan, maar dan ontdek ik in de hoek een televisiekast met gesloten deuren.

De Gewone Nederlander kijkt al tijden niet naar het Journaal. Hij vindt het te schreeuwerig, sensatiebelust en niet objectief. Nee, geef hem maar een documentaire, sport of het nieuws op de Belgische zenders. Over kranten is hij ook niet te spreken. Die brengen vooral persoonlijke verhalen en echt wereldschokkend nieuws is dan ergens in een klein kolommetje op pagina vijf te vinden. Hij leest het sportkatern. En sinds een tijdje ook de overlijdensadvertenties. „Dat is iets dat met de leeftijd komt.”

De Zeeuwse boterbabbelaars zijn inmiddels op, maar ik zal Zeeland niet zo snel vergeten

Als ik de Gewone Nederlander vertel dat ik nooit eerder in Zeeland ben geweest, slaat hij geschrokken zijn hand voor zijn mond. En dus rijden we naar Middelburg. Onderweg zie ik de bezienswaardigheden van Gapinge: de hervormde kerk en een vliedberg. In café ‘Vriendschap’ raadt hij de vissoep aan.

De Gewone Nederlander heeft een stapel papier met gesprekspunten meegenomen. Hij heeft zich voorbereid, wil het bijvoorbeeld hebben over de maatschappij – die moet anders worden ingericht. We komen er steeds niet aan toe. Hij vertelt over een roadtrip met zijn dochters door de Verenigde Staten, in 2002. De aanslagen van het jaar ervoor nog vers in het geheugen gegrift. In voortuinen wapperde de Amerikaanse vlag. Het deed hem iets, die vaderlandsliefde. Vindt hij het zingen van het Wilhelmus dan ook een goed idee? Hij steekt een van zijn vingers op. Ik mag niet in de krant zetten welke, maar het is in ieder geval niet zijn duim.

Na het eten lopen we langs zijn kantoor. In de hoek staat wat speelgoed van zijn kleinzoon. Die komt met zijn dochter mee, zij werkt voor haar vader. Soms horen klanten de jongen op de achtergrond spelen. Dat vindt de Gewone Nederlander geen probleem. Hij pakt zijn papieren er weer bij. Hij moet nog iets kwijt over het gebrek aan moraal bij grote bedrijven. Ik opper dat ik de stapel zelf meeneem, om de aantekeningen rustig thuis te lezen.

Met pensioen gaat hij nog niet, maar de Gewone Nederlander is wel aan het afbouwen. Hij heeft nu tijd voor andere dingen. We kloppen aan bij zijn andere dochter. Ze is een taart aan het bakken, omdat de Gewone Nederlander de volgende dag zesenzestig wordt. De taart heeft de vorm van een blik verf, want hij heeft haar huis verbouwd.

Ons laatste bezoek is aan de achtentachtigjarige moeder van de Gewone Nederlander. Op tafel ligt de krant opengeslagen. Ik krijg koffie, weer uit het Senseo-apparaat. Zijn moeder is nostalgisch. Ze maakte oorlog mee, honger, de Watersnoodramp. Het waren moeilijke tijden. Geen gas, geen elektra, geen stromend water. Daar verlangt ze natuurlijk niet naar terug, maar wel naar de saamhorigheid.

Op de terugweg naar het huis van de Gewone Nederlander stopt hij bij een kaasboer. Ik krijg een bolletje kaas uit de streek mee. En Zeeuwse boterbabbelaars. Die zijn inmiddels op, maar ik zal Zeeland niet zo snel vergeten.