Column

Europa begint aan geopolitiek te doen

Na de ravage van de orkaan Katrina in New Orleans, in 2005, boden de Nederlandse en Belgische ambassades in Washington meteen hulp van hun bedrijven aan. De waterwerken van de stad – het systeem van pompen, dijken en sluizen – waren bezweken. Als iemand dit kon oplappen, waren het baggeraars, hydrologen en andere waterexperts uit de Lage Landen. Maar wat bleek: zij kwamen er niet in. Havens vallen in Amerika onder de afdeling ‘strategisch & gevoelig’.

Vergelijk dit met de praktijk in Europa tot voor kort. Een Chinees bedrijf, Cosco, kocht tijdens de eurocrisis een hele cargoterminal in de Griekse haven Piraeus. Eerder wilde een Chinees bedrijf de Sloveense haven Koper kopen. Slovenië zat midden in de bankencrisis. De deal werd uiteindelijk op hoog niveau afgeschoten. Niet omdat Koper een geostrategische pion kon worden in handen van een buitenlands staatsbedrijf, maar omdat de verkoop de oude communistische nomenklatoera, na de val van de Muur miraculeus ‘entrepreneurs’ geworden, van politieke invloed zou beroven.

Als je toen Europese politici of ambtenaren vroeg waarom Amerika wél strenge regels had voor investeringen uit het buitenland en Europa niet, keken ze je met grote ogen aan: Europa promootte wereldwijd vrij verkeer van kapitaal, dan moest je toch het goede voorbeeld geven? Deze naïviteit begint nu te verdwijnen. Europa ligt aan alle kanten onder vuur en begint aarzelend aan geopolitiek te doen. Het oplaaiende debat over buitenlandse – vooral Chinese – investeringen is maar één van vele voorbeelden.

Na de omstreden Chinese overname van robotfabrikant Kuka in 2016 bekijkt Duitsland buitenlandse hightech overnames op strategische gronden. Frankrijk verkocht 49,9 procent van het vliegveld van Toulouse aan een Chinees bedrijf, maar president Macron bepleit nu wel Europese ‘screening’ van grote buitenlandse investeringen. Chinese directe investeringen in de EU bedroegen 35 miljard euro in 2016, tweederde meer dan in 2015. Telecombedrijf Huawei neemt 22 procent van alle investeringen in Europese mobiele netwerkinfrastructuur voor zijn rekening; in Amerika blijft het op 3 procent steken. Zelfs de liberale Britten bevroren vorig jaar, tijdelijk, een Chinese overname in de nucleaire sector. Ook Chinese investeringen in Midden- en Oost-Europese infrastructuur – het ‘16+1 transportproject’ – beginnen vragen op te roepen. „Griekenland en Hongarije stemmen ineens constant voor het Chinese belang,” constateert een Europees oud-minister. „Dit hindert de Europese buitenlandse politiek enorm.” Laatst blokkeerden deze twee een VN-mensenrechtenresolutie over China.

Dertien Europese landen hebben nationale regelgeving voor buitenlandse investeringen. Dat betekent dertien verschillende systemen op één Europese interne markt. De Europese Commissie werkt nu op verzoek van vooral grote EU-landen aan een voorstel voor één Europese screening. Dit zou ‘vrijblijvende’ analyses moeten opleveren die het beleid van hoofdsteden niet kunnen overrulen. Maar in elk geval is er dan iets van coördinatie.

Tegelijkertijd moeten Europese landen aandringen op wederkerigheid. China, ’s werelds tweede investeerder, is extreem restrictief als het gaat om acceptatie van buitenlandse investeringen. Als dat zo blijft, rest Europa nog één middel: zorgen dat buitenlandse bedrijven hier zich keurig houden aan de Europese internemarktregels. Geen monopolies, geen staatssteun. De mededingingsregels zijn het sterkste wapen dat Europa heeft – vraag het Google en Facebook maar. Dat Europa met saaie marktregels nog eens het geopolitieke toneel op zou stappen; wie had dat kunnen denken.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.