De vrouw die ik had kunnen zijn

‘Mijn jurken zijn te lang. Dit huis is te groot.’ Aya Sabi laat zich inspireren door een fotoserie van Annabel Oosteweeghel.

Vroeger zag ik mijn ogen lachen als ik in de zijne keek

Ik ben op dieet. Ik eet niet meer na half zes”, zei ik toen hij om zes uur thuiskwam. Hij antwoordde dat ik eindelijk eens een goed besluit had genomen in mijn leven, dat ik zijn deel van het bed ook al in beslag begon te nemen, maar dat ik voor altijd mooi zou blijven en dat hij nog steeds graag naar me keek. Ik zette zijn kom tomatensoep op tafel, streek over het tafelkleed, schoof zijn stoel naar achteren. Vroeger zag ik mijn ogen lachen als ik in de zijne keek, nu ontweek ik zijn blik, durfde niet te knipperen als hij te dichtbij kwam. ‘Ik heb toch ook ooit besloten met jou te trouwen?’, dacht ik. Dit had ik een paar maanden gewoon kunnen zeggen, geen vragende intonatie was nodig geweest. Dan hadden we er hartelijk om gelachen. Nu kon elk woord dat ik sprak een aanslag op de stilte zijn. Er kon een vaas sneuvelen. Er kon een arm breken.

Lieverd, je bent er bijna

Toen ik op weg naar mijn werk langs etalages wandelde, zag ik de kleren die van mij een gelukkige vrouw zouden maken. Ze riepen mij. Ze spraken tegen de vrouw die ik wilde zijn, die niet moest vragen om een nieuwe jurk of extra boodschappengeld omdat ze vriendinnen over de vloer kreeg op zondag. En zo ging er elke week tien gulden in mijn potje. Als ik dan naar buiten kijk en diezelfde kleren nu zie hangen, mijn eigen zweet dat ervan af drupt, denk ik aan de vrouw die ik had kunnen zijn. Alsof ik vormeloos en onzichtbaar aan een draad hang, gebogen van schaamte. Voordat hij mij ten huwelijk vroeg, heb ik ontslag moeten nemen. In het jaar dat we verloofd waren, kocht hij een huis voor mijn verjaardag. Vijftig kilometer buiten de stad waar iedereen die ik liefhad – inclusief mijn vroegere ik – zich bevond. Kleren maken de man, maar voor vrouwen geldt dat natuurlijk niet. Een vrouw wordt gemaakt door haar echtgenoot en hij breekt mij.

Ik nestel me in mijn eigen armen, warm me aan mezelf. Soms zit ik urenlang in een veel te lange jurk te praten terwijl niemand me hoort, dan tik ik met mijn glas tegen de spiegel en proost ik op het leven dat ik had kunnen leiden. Op de vrouw die ik had willen zijn. Ook zij stelde niet veel voor, een doodgewone bibliothecaresse. Ook toen werd ik omgeven door stilte, maar ik las, ik las Simone de Beauvoir.

Deze muren zeggen niets terug. Mijn jurken zijn te lang. Dit huis is te groot. Op de radio zingen ze elke dag hetzelfde lied. Aan de andere kant van de lijn hoor ik steeds opnieuw de stem van mijn moeder. „Alleen het eerste jaar is even wennen, lieverd, je bent er bijna.”

Hij beloofde mij een toekomst van geur, altijd licht

Als hij naar zijn werk vertrekt, sluit ik de gordijnen en maak ik mijn jurken langer zodat mijn huid zijn razernij niet verraadt. Ik omhul mijn lijf met leugens, stift mijn lippen, bepoeder mijn oogleden, stil mijn tranen, open de ramen. Hij beloofde me een huis vol bloemen en een toekomst van geur, altijd licht. Naïviteit zou een zonde moeten zijn. Hij heeft de pil twee maanden geleden door het afvoerputje gespoeld, nadat hij een van mijn boeken tegen de muur sloeg en schreeuwde dat ik niets aan deze boeken had als mijn pannenkoeken nog steeds mislukten. Sindsdien voel ik leven in mijn onderbuik en dat geluid zuigt al het leven uit mij. Mijn pannenkoeken mislukten trouwens nooit. Toen hij nog de man was die alle open velden op de wereld met bloemen zou beplanten voor mij – dat beloofde hij – bakte ik zelfs taarten voor hem. Want de liefde van een man gaat door de maag, dat is een van de weinige dingen die mijn moeder me heeft geleerd. Dat ik schuin achter op de fiets moest zitten, dat ik altijd met twee woorden moest spreken en dat ik eigenlijk beter kon zwijgen. Dat goede meisjes stille meisjes waren. Een man die onmogelijke beloftes doet, kan nooit een man van zijn woord zijn – dat weet ik ondertussen. Ik trek elke nacht de gordijnen open en nog voor de zon opkomt sluit ik ze weer, want de duisternis in mij verduistert meer onder het helse licht van een ongewenste ochtend. Hij bevrijdde een zak vol vlinders in mijn buik die uiteindelijk eeuwige rupsen baarden. De kriebels zijn nu veranderd in krampen en ochtendmisselijkheid.

Hoe verder ik rijd, hoe kleiner mijn huis wordt

Er is een land waar vrouwen willen wonen, beweer jij, maar dat kan onmogelijk hier zijn. Als hij de fiets naar zijn werk neemt, ga ik achter het stuur zitten. De eerste keer knalde ik bijna tegen een boom – niet dat ik het erg zou vinden om te sterven. Hoe verder ik rijd, hoe kleiner mijn huis wordt, hoe dichter ik dat land nader.

Hij is een goede man, hoor, hij slaat me niet altijd, zeg ik tegen mezelf. Er zijn ergere dingen dan geslagen worden. Er is de vloek van oud en kinderloos sterven, de vloek van de stille eenzaamheid, van het vrouwzijn. Natuurlijk, mijn leven trekt aan me voorbij, maar als ik hem verlaat, vermoordt hij mij. Liever een half leven dan geen.

Hij koopt jurken voor me, soms houdt hij mijn hand vast en voor hem is het ook moeilijk, het is pas het eerste jaar en het wordt beter. Dat belooft hij mij.

Ondertussen kijkt de vrouw in de zijspiegel me aan en nog voor ik het volgende dorp bereik, keer ik terug naar het veel te grote huis. De kans dat dit huwelijk wordt gered, is groter dan de kans dat dit een land zou worden waarin vrouwen willen wonen. Het spijt me. Dat ik de wapens heb laten vallen. Dat ik de strijd opgeef nog voor hij is begonnen. Dit huis is al te groot voor me. De wereld zou mij verorberen.