‘Tot anderhalf jaar geleden hadden we nooit een beddenstop. Nu heel vaak’

Werkdruk

Een grote meerderheid van de verpleegkundigen heeft het te druk. Bedden worden gesloten, bijscholing gebeurt in de eigen tijd.

Verpleegkundige Jeroen Swinkels van de oncologie-hematologie afdeling van het OLVG in Amsterdam. Foto Olivier Middendorp

Jeroen Swinkels zoekt naar een ader in de arm van een patiënt. Hij prikt erin maar het lukt niet, de ader ontglipt hem. Excuses, hup, pleister erop. Nog een keer. Weer lukt het niet. „Hè, sorry, ik ben best een goeie prikker, maar als iemand veel infusen heeft gehad, wordt het steeds lastiger.” Hij vraagt er een collega bij, de beste prikker van de afdeling.

Deze dag begint hectisch voor verpleegkundige Swinkels (48) op de oncologie-hematologie afdeling van het Amsterdamse OLVG. Een van zijn patiënten werd wakker met een slangetje in zijn bed: dat was ’s nachts tijdens zijn slaap uit zijn ader gegleden. De patiënt vindt het eng: „Is het niet afgebroken ergens? Zit er nog plastic in mijn arm?” Swinkels vraagt het na bij een arts, die hem gerust stelt.

Aan de overkant van de kamer is tegelijkertijd het chemo-infuus van een patiënt gaan lekken. Dat gebeurt zelden. Swinkels en een andere verpleegkundige snellen toe om haar hand schoon te maken met alcohol. Chemo is zo giftig dat het niet op de huid mag komen, geen druppel. Maar het stroomt wel door de aderen van de patiënt? Swinkels: „Ja maar sommige chemo’s hebben een bijtend effect op de huid, die ze niet hebben als ze verdund worden met bloed, in de aderen.” Zijn telefoon gaat. De zaal-arts. Of hij visite wil komen lopen.

Catheters inbrengen

Swinkels is een ervaren verpleegkundige en heel gelukkig met zijn baan. En toch voelt hij werkdruk. Net als 85 procent van alle verpleegkundigen, zo blijkt uit recent onderzoek. Door het hectische verloop van deze ochtend is zijn hele dag uit het lood. Want de dag ís al zo vol: chemokuren toedienen, catheters inbrengen, medicijnen geven, overleggen met elkaar, praten met familieleden. En bellen. Met de apotheek, de diëtiste, de fysiotherapeut, de arts, een collega. Bellen, lopen, prikken, duwen, tillen. Handen wassen, en nog eens en nog eens. En vrijwel elke handeling moet hij registreren in de computer voor het Elektronisch Patiëntendossier.

Van half acht ’s ochtends tot 12.00, lunchtijd, heeft Swinkels niet één moment om koffie te drinken.

Zijn teamleider, Dorien de Jong, is er duidelijk over: „We hebben structureel mensen te kort. Alleen al dit jaar zijn er tien verpleegkundigen vertrokken. Om vele redenen: sommigen rondden een opleiding af en gingen naar een andere afdeling. Anderen verlieten de stad. Maar voor vier vacatures vinden we nu niemand. De druk op het overige personeel is dus groter. We leiden ook nog jonge verpleegkundigen op.”

Haar afdeling heeft nu 2 van de 22 bedden gesloten omdat ze de zorg die patiënten nodig hebben niet kan garanderen. De Jong: „In de zomer was het tekort zo groot dat ik 5 bedden sloot en zelf heb meegedraaid.” Voorheen had ze plek voor zes patiënten na een stamceltransplantatie; nu maar voor vier. Ze hadden tot voor kort mankracht voor negen patiënten met een chemokuur, nu maar voor zes.

En dan zijn er de verplichte registraties die de verpleegkundigen moeten uitvoeren. Elke patiënt drie keer per dag vragen of die pijn heeft en die ‘pijnscores’ in de computer zetten. Dat gaat naar de zorgverzekeraars die dat beschouwen als kwaliteitscriterium. Ook moeten ze elke dag de patiënt controleren op doorligwonden – en tweewekelijks vastleggen voor de verzekeraar.

De verplichte bijscholing die verpleegkundigen moeten volgen? Gebeurt buiten werktijd. Een keer in de drie weken praten over emotioneel belastende situaties (patiënten op deze afdeling sterven relatief vaak) gebeurt buiten werktijd.

Dekentje

De Jong en haar team hebben vorig jaar gevochten voor deze afdeling, waar zij al 15 jaar werkt. De Raad van Bestuur wilde dat ze voortaan met vijf verpleegkundigen zouden werken in plaats van zes. „We zeiden: dat kan niet, kom maar kijken. Ze kwamen en we hebben ze overtuigd.”

Op deze afdeling liggen heel zieke mensen. Een oudere man met een geamputeerd been staart voor zich uit. Hij heeft het koud zegt hij tegen niemand in het bijzonder. Swinkels hoort het en legt een dekentje over zijn schoot. Een oudere vrouw, op een andere kamer, ligt te slapen. Ze moet zo worden ‘geprehydreerd’, ofwel vocht krijgen via een infuus, in dit geval om haar lichaam voor te bereiden op een chemokuur. Swinkels heeft die ochtend ook een catheter bij haar ingebracht. En sondevoeding omdat ze al dagen niet heeft gegeten. Ze vraagt elke keer opnieuw wat er staat te gebeuren. Swinkels legt het elke keer geduldig uit.

Als de patiënten nog niet lijden aan kanker-verschijnselen, dan lijden ze wel aan de gevolgen van chemokuren, bestraling of een operatie. Swinkels vindt zijn werk waardevol; hij kan mensen helpen op hun aller-kwetsbaarst. „Je draagt echt iets bij.” Hij gaat al drie jaar elke dag met plezier naar deze afdeling, hij weet ook veel. Is gespecialiseerd oncologie-verpleegkundige en volgt nu ook de opleiding hematologie (bloedziekten). Alleen de nachtdiensten vindt hij zwaar. „Ik doe er het liefst maar twee achter elkaar, anders moppert het thuisfront over mijn humeur. In de praktijk zijn het er vaak drie of vier.”

Om de werkdruk te verdelen, heeft het OLVG een stoplichtensysteem ingevoerd. Een paar keer per dag vult de ‘dag-oudste’ in hoe druk het op de afdeling is. ‘Blauw betekent ‘rustig’, ‘Groen’ is ‘goed te doen’, ‘oranje’ betekent ‘druk’, ‘rood’ is: veel te druk, assistentie nodig. Dit gebeurt op alle afdelingen. Is het ergens ‘blauw’ dan kan een verpleegkundige worden uitgeleend aan een plek waar het ‘rood’ is. Gespecialiseerde verpleegkundigen niet, want die zijn onmisbaar op de afdeling, maar basisverpleegkundigen wel.

Toch is de werkdruk bij oncologie inmiddels een constante zorg voor Dorien de Jong. „Tot anderhalf jaar geleden hadden we nooit een beddenstop. Nu hebben we dat heel vaak: wekelijks. We moeten dus zieke mensen weigeren. Doordat steeds meer patiënten poliklinisch worden behandeld – en niet worden opgenomen – zijn de patiënten díe worden opgenomen en hier dus liggen, veel zieker. Die kun je eigenlijk niet weigeren.” Als te veel afdelingen in het ziekenhuis tegelijk kampen met te weinig personeel – en niemand naar een bed op een andere afdeling kan – kondigt het hele ziekenhuis een opnamestop af. Meestal duurt dat een paar uur, tot er weer een stoplicht op blauw springt.