Column

Verwarring

‘Hé Georgina!” Een voor mij vreemde man, die monter op mij overkomt, spreekt me aan terwijl ik lopend mijn fiets met vol fietsmandje probeer voort te duwen en tegelijkertijd een whatsappje tracht te sturen met mijn andere hand. Ik zie eruit alsof ik haast heb. Dat weet ik zeker. Ik ben actrice. Het is mijn werk om te weten hoe ik overkom. Op straat straal ik graag haast en verwarring uit, zodat mensen me niet aanspreken.

„Je bent actrice, toch?” vraagt de man. Dat werkt dus niet altijd. „Erh, ja. Zoiets.” Misschien moet ik weer eens op cursus. Ik lach vriendelijk en verleg mijn blik kort naar mijn telefoon, om aan te geven dat ik weer door wil met mijn treurige leventje. Ik overwoog net de aanschaf van een thermoskan.

„Mag ik je iets vragen?” vraagt hij. Ik wil grappend antwoorden dat hij me al twee vragen gesteld heeft, maar bedenk me, omdat ik zin heb in een krankzinnig kort gesprek. „Erh, ja hoor”, stamel ik. Nooit te laat om de verwardheidtactiek nieuw leven in te blazen. Mijn fiets valt bijna om door het gewicht van mijn mandje. Perfect. De man staat echter onverstoord te glunderen. Ik heb het bange vermoeden dat hij me iets wil vragen over een film/serie/fotoshoot/uitspraak waar ik niet aan herinnerd wil worden.

„Ik sta daar net met een dragqueen” – hij wenkt over zijn schouder naar een winkel die gespecialiseerd is in film- en theatermake-up, er staat een uitgedoste vrouwspersoon met zombiemake-up op. Naast de ingang waaien spookachtige figuren van pluizige stof in de wind. De winkel wordt rond Halloween platgelopen voor nepbloed en nare wonden, het personeel is dan altijd in full battle dress. Ik knik vaag, omdat ik niet zeker weet of de dragqueen een verklede jongedame is. Hij steekt van wal.

Ik bedenk me, omdat ik zin heb in een krankzinnig kort gesprek

‘In míjn beleving, denk ik zo…”, en dan begint hij een relaas dat ik moeilijk kan volgen. Hij heeft het over de datum en iets met Halloween en benadrukt het belang van een bepaald getal. Het eindigt in elk geval met: „die de openbaring van vaders en moeders die seksueel misbruik plegen viert. Denk je ook niet?” Er lijkt een stilte over de hele straat te vallen. Een soort tijdsvacuüm waarin ik hem in me kan opnemen. Hij oogt Indisch. Knap en gedrongen, maar sportief. Zijn haar zit fris naar achter. Spijkerbroek, hippe witte gympen, grijze onberispelijke sweater. De witte oortjes van zijn telefoon hangen over de boord van de sweater naar buiten en bungelen op zijn borstkas.

„De nieuwe God, zegt mij dat zij, je weet wel, jongens die met jongens en meisjes die met meisjes… dat ze toen ze kinderen waren zo’n trauma hebben meegemaakt. Denk je ook niet?” Hij glundert nog steeds. Alsof hij me net verteld heeft dat hij eindelijk een huis gevonden heeft. Ik moet denken aan die keer, twintig jaar geleden, toen aan het einde van mijn rijles een nieuwe leerling instapte. Ik zag meteen dat ze een pruik droeg. Wat naar, dacht ik nog, ze is vast ziek. Maar het bleek Wendy van Dijk te zijn die mij in de maling wilde nemen voor een candid camera programma.

„Stuk voor stuk een trauma, denk je ook niet?” Ik zoek camera’s. Of geblindeerde auto’s. Zal je zien dat het Powned is, of BNN. Maar ik zie niets. „Sorry, maar, wíé ís die nieuwe God precies?” vraag ik. Mijn stuur valt naar rechts en er vliegen van schrik duiven op.

„Nou zeg! Dat is mooi!” Hij wijst gelukzalig naar de duiven. „Jij vraagt het en Hij presenteert zich meteen!” Hij doet de oortjes in en loopt weg. Kijkt nog eens glimlachend naar me om. En eerlijk is eerlijk, ik kreeg exact wat ik wenste, van deze nieuwe God: Een krankzinnig kort gesprek.