Recensie

Versjes die om de vraag heen dartelen

Kinderpoëzie

Er is een nieuwe versjesbundel van Bette Westera en Sylvia Weve – van het prijswinnende ‘Doodgewoon’. De versjes draaien om vragen die niet om een antwoord vragen.

Wat een goed idee: een bundel gedichten – pardon: ‘versjes’ – die allemaal een filosoferende, licht existentiële vraag als uitgangspunt hebben. Een vraag zonder antwoord. Want, zoals in de programmatische inleiding staat (al een gedicht op zich): er zijn ook ‘vragen die vragen/ om iets/ wat dartel om ze heen kan draaien/ zoals de aarde/ eeuwig om zijn as’. Bette Westera stelde met illustrator Sylvia Weve zesendertig vragen waar ze versjes dartel omheen liet draaien – maar met sterk wisselend resultaat.

Het duo van ‘Doodgewoon’

Het duo Westera en Weve is vooral bekend vanwege Doodgewoon, een verzameling luchthartig getoonzette versjes met een ernstig onderwerp: de dood. Het boek won in 2015 de Gouden Griffel en de Woutertje Pieterse Prijs – al was wat mij betreft de poëtische kracht niet enorm. Er zat iets simpels, eenvoudigs, eentonigs en daardoor plichtmatigs in een groot deel van de versjes: lang niet al Westera’s poëzie slaagt erin te verrassen, wat me voor poëzie een fundamentele voorwaarde lijkt. Meerduidigheid is ook de crux in Was de aarde vroeger plat?: in een paar gevallen is een gedicht echt prettig uitdagend, maar veel vaker wordt er, om in Westera’s eigen termen te blijven, wat al te makkelijk om de vraag heen gedarteld.

Het concept werkt uitstekend in ‘Wanneer begin je met bestaan?’, een vraag waar het versje inderdaad dartel omheen blijft draaien. Een tienjarig kind vraagt zich af of het begin van zijn of haar bestaan niet misschien al vóór de geboorte lag, wat tot een conclusie leidt met een raadselachtige onbestemdheid: ‘Ik ben ik weet niet hoeveel jaar./ Zo oud als mama’s ei/ en papa’s zaadje bij elkaar.’ Bestaan: Westera vergroot het raadsel van dat woord, dartel, als een dichter die niet wil duiden, maar dóórgaan met denken.

Kip-ei-Spielerei

Maar wat levert dartelen op bij de vraag: ‘Wat was er eerder, de kip of het ei?’ Het is nog niet een van de teleurstellendste gedichten in de bundel, maar kip-ei-Spielerei die nergens toe leidt: ‘‘Verhip,’ zei de kip./ ‘Mijn ei, dat ben jij,/ dus jij was er eerst.’// ‘Nee, jij,’ zei het ei./ ‘Jij kwam uit je ei en je ging aan de leg…’// En toen hipte de kip als eerste weg.’ Dat gedartel werkt nog teleurstellender in een gedicht waarin een kind zich afvraagt hoe het zou zijn als zijn opa zijn leeftijd had (‘Hoe zou het zijn als de tijd niet bestond?’). Ja, goeie vraag, maar het fantaseren daarover komt niet veel verder dan: ‘En was hij even blond?’ Westera durft maar een teen in het water te steken, terwijl er onder het wateroppervlak filosofische diepten gapen. Die ontbrekende diepte is ook iets wat deze illustraties van Sylvia Weve, in vergelijking met eerder werk, minder sterk maken: ditmaal zijn haar beelden te vaak te plat, terwijl ze in bijvoorbeeld Aan de kant, ik ben je oma niet! (2012), nog zo spannend gelaagd waren.

De smaak van oude kaas

Opnieuw krijgen Westera’s gedichten in deze bundel iets gemakkelijks, iets plichtmatigs. Dat ligt ook aan de vorm: zelden verlaat ze de ijzeren cadans, en wel heel vaak gebruikt ze de opsomming als procedé voor haar gedichten. Bij ‘Hoe weet je dat de tijd bestaat?’ komt daar al halverwege het gedicht het slop in: ‘De tijd zit in de smaak van oude kaas’ is mooi, maar de regels die beginnen met ‘De tijd zit in…’ blijven maar komen, opsomming wordt herhaling. Het ligt ook aan Westera’s onderwerpkeuze: heel veel gedichten vragen zich iets af over het fenomeen ‘tijd’, en dat pakt niet altijd even interessant uit. De mindere doen af aan de tijd-gedichten die wél sterk zijn.

Het idee was goed, maar Was de aarde vroeger plat? bevat te veel gemiste kansen, te veel gemakkelijk gedartel, te weinig poëzie.