Opinie

Samenwerking in EU dwingt tot welkome militaire keuzes

Er komt geen ‘EU-leger’, net zo min als er een ‘NAVO-leger’ bestaat. Wel moeten Europese krijgsmachten beter samenwerken, betogen en . Dan kan Nederland meteen kiezen wat voor landmacht het eigenlijk wil hebben.

Nederlandse Leopard-2 tank tijdens een oefening in Polen in 2005. Nederland heeft zijn 60 tanks sindsdien verkocht, maar least er nu weer van Duitsland Foto Rien Zilvold

Ank Bijleveld, de nieuwe minister van Defensie, mag meteen naar Brussel. Op 8 en 9 november ontmoet ze daar de collega’s van de NAVO-landen. Een kleine week later, op 13 november, komen de EU-ministers van Defensie bijeen. Het belang van die vergadering ligt vooral in de lancering van een nieuwe fase in de Europese defensiesamenwerking. Formeel heet dit ‘permanente gestructureerde samenwerking’ (Pesco), naar de bepaling in het EU-Verdrag. Ook Nederland doet mee.

Critici zien daarin een verdere stap naar een ‘Europees leger’. Maar voorstanders van een federaal Europa, zoals Guy Verhofstadt, de liberale fractieleider in het Europese Parlement, verwelkomen het om die reden juist. Beide standpunten slaan de plank volledig mis. Er komt geen ‘EU-leger’, net zo min als er een ‘NAVO-leger’ bestaat. De lidstaten leveren de bouwstenen voor militaire operaties van deze organisaties. De krijgsmacht blijft een instrument in handen van de EU- en NAVO-lidstaten. Besluitvorming over de inzet van militairen – waarmee leven en dood gemoeid is – blijft eveneens een nationale verantwoordelijkheid.

Pesco beoogt de samenwerking tussen de Europese landen een grote stap vooruit te helpen. De deelnemende landen gaan verbintenissen aan, waarvan de naleving jaarlijks wordt getoetst. Geen loze beloften of papieren toezeggingen – zoals in het verleden vaak het geval was – maar juridisch bindende afspraken. Dat is het nieuwe van deze samenwerkingsvorm.

De vergelijking met de zogeheten convergentiecriteria van de eurozone – die bepalen of een land klaar is om in de euro te stappen – dringt zich op. Ook bij Pesco krijgen de lidstaten jaarlijks een rapport. Bij slechte cijfers volgt een gele kaart. Dat kan niet al te vaak, dus een lidstaat zal dan maatregelen moeten nemen om de afspraken alsnog na te komen.

Zo is er een norm om binnen het defensiebudget minimaal twee procent uit te geven aan technologie en onderzoek – een post die in Nederland de afgelopen jaren bijna gehalveerd is. Maar het kan ook gaan om multinationale materieelprojecten of gemeenschappelijke logistiek. Standaardisatie en versterking van de ‘interoperabiliteit’ – het vlekkeloos militair samenwerken – zijn hierbij belangrijke doelstellingen. Buiten de eigen landgrenzen treden nationale krijgsmachten immers bijna uitsluitend op in multinationaal verband. Materieel, munitie, communicatiesystemen en ondersteuning moet dan zoveel mogelijk zijn afgestemd. Gezamenlijke planning zal de lidstaten zelf, de EU en de NAVO ten goede komen.

Pesco zal geen helderheid brengen over wat Europa militair moet kunnen, desnoods zonder Amerikaanse deelname. Daarover lopen de meningen in Europa te ver uiteen. Frankrijk en Duitsland trekken het project, nu het Verenigd Koninkrijk zich na het Brexit-referendum al buiten het speelveld bevindt. Wel hebben Parijs en Berlijn uiteenlopende visies over de prioriteit van Europese defensiesamenwerking.

Frankrijk wil dat de Europese bondgenoten meer bijdragen aan operaties in Afrika ter bestrijding van terrorisme en ter ondersteuning van Afrikaanse strijdkrachten. Frankrijk zet daarvoor al vele jaren duizenden soldaten in. Duitsland steunt Frankrijk hierin – zie de bijdrage van de Bundeswehr in Mali. Maar niet voor optreden ‘hoog in het geweldsspectrum’ (zoals in Libië, in 2011). De Duitse krijgsmacht wordt nu verder aangepast voor territoriale verdediging. Het accent ligt daar op versterking van gepantserde eenheden.

Wat wil Nederland? Vorige kabinetten bleven inzetten op een ‘veelzijdige krijgsmacht’, geschikt voor deelname aan alle mogelijke operaties. Zelfs toen de bezuinigingen zich onder Rutte I en II opstapelden. Het resultaat was een steeds kleinere krijgsmacht, die nog wel veelzijdig kon worden ingezet, maar met minder capaciteit en voor steeds kortere duur.

Bij de presentatie van Rutte III noemde minister van Defensie Bijleveld het noodzaak om de Nederlandse krijgsmacht weer op orde te brengen en te moderniseren. Ze sprak daarbij ook over keuzes. Die betreffen niet de marine of luchtmacht die in allerlei scenario’s inzetbaar zijn. Het gaat vooral om de landmacht. Die hinkt nu op twee gedachten. Enerzijds: aansluiten bij de Duitsers met vergaande integratie van gepantserde eenheden. Anderzijds: lichtere en snel inzetbare eenheden in stand houden die geschikt zijn voor optreden zoals in Afrika. De huidige situatie komt neer op ‘tweemaal te weinig’ en ondanks een nieuwe financiële injectie niet vol te houden. Kiezen is nodig, maar het ligt niet zwart of wit. Snel inzetbare eenheden kunnen ook bijdragen aan territoriale verdediging, die immers verlegd is naar Oost-Europa. Zware eenheden zijn weliswaar niet geschikt voor spoedeisende interventies in Afrika, maar kunnen wel voor aflossing zorgen van de snel ingezette capaciteiten van andere landen. Een keuze brengt de landmacht in balans wat betreft structuur, materieel en opleidingen.

De Europese defensie kan met Pesco effectiever worden maar heeft niets te maken met één Europees leger. Nederland verleent hier terecht steun aan. Wel roept voortschrijdende Europese defensiesamenwerking vragen op over de manier waarop Nederland wil en kan bijdragen. De komende defensienota moet daarover duidelijkheid verschaffen, ook naar onze EU- en NAVO-bondgenoten.