Recensie

Op bezoek bij seculiere heiligen van Amerika

Literaire bedeplaatsen

In Amerika bezocht Auke Hulst de graven, huizen en sterfplekken van schrijvers en muzikanten die hij bewondert. Het levert een zoektocht naar zichzelf op.

Een motelbed in de Amerikaanse staat New Mexico. Foto James Leynse/Corbis via Getty Images

Een reis in de schaduw van dood en verlies, zo noemt Auke Hulst de tocht die hij in 2016 maakte van de oostkust naar de westkust van de Verenigde Staten. Zijn relatie is uit, hij heeft de eerste versie van zijn roman En ik herinner me Titus Broederland ingeleverd en hij wil afstand nemen. Afstand van die roman, afstand van die relatie en ook afstand van de dood die hem iedere verjaardag op de hielen zit. Nu meer dan ooit, want hij nadert de leeftijd waarop zijn vader Ton Hulst stierf. Dat gebeurde op zijn 43ste, twee dagen voor de achtste verjaardag van zijn zoon Auke.

Dat Auke Hulst (1975) naar de Verenigde Staten vlucht, is niet toevallig. Hij noemt zichzelf ‘cultureel Nederlands-Amerikaans’. Op zijn reis bezoekt hij de plaatsen waar muzikanten stierven: Kurt Cobain, Jeff Buckley en Prince. Hij gaat langs de huizen waar zijn helden F. Scott Fitzgerald en Philip K. Dick woonden en mag rondkijken in het huis waar Ernest Hemingway zelfmoord pleegde, in Ketchum, Idaho. Dat verhaal, ‘Papa Kissed A Gun’, verscheen ook in deze krant en vormt het hoogtepunt in Hulsts Motel Songs, samen met ‘Altijd De Jouwe, Scott Fitz’, waarin hij het levensverhaal van F. Scott Fitzgerald verbindt met verhalen uit zijn eigen jeugd.

Seculiere heiligen, zo noemt Hulst de kunstenaars die zijn tocht van oost naar west tot een kronkelende bedevaart maken. De schrijvers en muzikanten bepalen de geografische richting, maar het is zijn vader die hem op deze reis achtervolgt. Door zijn afwezigheid is hij zeer aanwezig. ‘Er zijn en er niet zijn’, aldus Hulst. Zeker omdat die sterfdag en de daaropvolgende verjaardag gedurende de reis vallen. Van de acht jaar dat zijn vader in zijn leven was, haalt Hulst flarden terug, de rest moet hij reconstrueren. Dat doet hij mooi in het verhaal ‘Vaderdagen’. ‘Ver weg van de grond waar we ooit liepen, heb ik het gevoel dat ik hem eindelijk nader. En daarmee: mezelf.’

Hulst schrijft zijn verhalen met een jaloersmakende, stilistische brille. Een genot om te lezen. Zo perfectionistisch als hij is in zijn stijl, zo perfectionistisch is hij ook in de betekenis van wat hij schrijft.

Knellend gevoel

Als recensent in deze krant is hij gewend om uit te leggen wat een schrijver precies doet in boeken. Als schrijver van Motel Songs doet hij indirect hetzelfde bij zichzelf. Veel ruimte voor eigen interpretatie is er niet. Dat is een logisch verschil tussen deze non-fictie en zijn romans. Desondanks geeft het op sommige momenten een knellend gevoel, hoe heerlijk Motel Songs ook leest.

De andere aantekening die bij het boek moet worden gemaakt, is dat Hulst door de altaartjes die hij voor zijn seculiere heiligen – de kunstenaars – bouwt, hij zijn eigen schrijven ook bijna sacraal maakt. Het ging uit met zijn vriendin, zo schrijft hij op de eerste pagina van zijn boek, omdat hij fysiek en mentaal afwezig was. Zo zijn schrijvers, aldus Hulst. ‘Ze achten hun papieren wereld belangrijker dan de echte, waarop de papieren een reactie is.’

Maar zo blijft Hulst ook voor de lezer afwezig. Of is er echt geen enkel verschil tussen de persoon en de schrijver? Want altijd is er het werk. Zelfs als hij ’s avonds op zijn motelkamer zit, moeten er nummers worden gemaakt, de Motel Songs waar het boek de titel aan ontleent, waarvan de teksten in het boek staan en waarvan de cd is toegevoegd. Werk, werk, werk. Tijdens maaltijden verschuilt hij zich achter het notitieblokje. Werk is ook de reden om met mensen te praten op reis. ‘Ik heb mezelf wijsgemaakt dat ik op werkreis ben, en die overtuiging is antigif voor m’n verbergdrang.’

In Motel Songs zien we de schrijver Auke Hulst aan het werk. Een schrijver die op dreef is. Of hij zo de persoon Auke Hulst verbergt of juist toont, blijft de vraag.