‘Ontwikkelingshulp voor Wall Street’

Links blok

Van de drie linkse leiders toonde Jesse Klaver (GroenLinks) zich de meest felle en energieke opponent van de coalitie. De eerste dag van het debat verliep niet zo fortuinlijk voor de leider van GroenLinks. Met een bozig verhaal over verliezers van de globalisering onderscheidde hij zich amper van de conservatief-linkse SP. Ook peperde CDA-leider Buma hem in dat hij was „weggelopen” bij de formatie en dus niet zo’n grote mond moest hebben.

Maar op dag twee toonde Klaver zich aan de interruptiemicrofoon bijzonder scherp. Vooral over het afschaffen van de dividendbelasting wist hij – met Asscher en Roemer – premier Rutte stevig in het defensief te brengen. Hoe wist Rutte dat het afschaffen banen zou opleveren? „Dan hoor ik hier gewoon een feitenvrij betoog van deze premier.” Rutte wist Klavers beeld van 1,4 miljard euro aan „ontwikkelingshulp voor Wall Street” niet overtuigend te weerleggen.

Klavers andere paradepaardje, het klimaatbeleid, ging hem moeizamer af. Zijn interrupties ontaardden vaak in technische woordenwisselingen over CO2-opslag. Wel kreeg Klaver van Rutte een uitgestoken hand om te praten over een gezamenlijke ‘klimaatwet’.

Bij zijn debuut als oppositieleider toonde Lodewijk Asscher (PvdA) zich een rustige maar volhardende debater. Op de eerste dag wilde hij zijn verhaal nog wel eens laten verzanden in kleine dossiers uit zijn vorige leven als minister van Sociale Zaken. Maar hij diende ook, heel slim, vroeg in het debat een motie in tegen eventuele besparingen van Rutte III op de wijkverpleging. Hij kreeg daarvoor de steun van de voltallige oppositie. De PvdA-leider debatteerde zonder scoringsdrift en maakte behendig gebruik van de Haagse kennis die hij opdeed als vicepremier. Zo dwong hij Alexander Pechtold te erkennen dat het kabinet asielzoekers met een verblijfsstatus geen uitkering in natura kan verstrekken zonder de wet te wijzigen. In discussies over de abortuspil en de embryowet speelde Asscher met verve de rol van progressief geweten van D66.

Verreweg het minst succesvol in het linkse blok was Emile Roemer (SP). Hij hield een betoog tegen Rutte III dat hij ook tegen Rutte II had kunnen afsteken. Hij onderscheidde hij zich nauwelijks in de confrontaties met de coalitie, hooguit met zijn telkens herhaalde punt dat het kabinet met het verlagen van de dividendbelasting een „belastingoorlog” zou ontketenen. Zodra Roemer het woord nam, namen de gezamenlijke linkse aanvallen op Rutte namen in kracht af.