Naar Gurlitts kunst kun je niet onbevangen kijken

Roofkunst

De langverwachte expositie van werken uit de collectie van Cornelius Gurlitt is – in Bonn – een verwarrende ervaring.

Paar van Hans Christoph (1924) wordt er niet van verdacht roofkunst te zijn.

Een oude man met een zwarte hoed, een oranje broek en twee verschillende schoenen – één zwarte en één met vrolijke rode, gele, groene en blauwe figuren – nam donderdagmiddag geërgerd het woord in de Bundeskunsthalle in Bonn. Op een persconferentie was daar net een toelichting gegeven op de tentoonstelling Inventarisatie Gurlitt; De nazikunstroof en de gevolgen.

De man stelde zich voor als een achterneef van Cornelius Gurlitt, de bejaarde Duitser die in 2013 wereldberoemd werd als de zonderling die in zijn appartement in München een kluizenaarsbestaan leidde te midden van zo’n 1.500 kunstwerken van onduidelijke herkomst. Het zou gaan om een ‘nazischat’. Want Cornelius Gurlitt was de zoon van Hildebrand Gurlitt, die in kunst handelde voor de nazi’s.

Waarom, wilde de boze man weten, hebben jullie deze hele tentoonstelling opgehangen aan het begrip ‘roofkunst’? Terwijl van niet meer dan zes van de 1.566 werken van de collectie-Gurlitt is vastgesteld dat het inderdaad om roofkunst gaat.

Daar had de man een punt – ook al ging directeur Rein Wolfs van de Kunsthalle er nauwelijks op in. Veel kunstwerken die met zekerheid als roofkunst aangemerkt kunnen worden, zijn er op deze tentoonstelling over roofkunst niet te vinden. Maar daar staat veel tegenover. Eindelijk zijn nu de belangrijkste werken te zien uit die omvangrijke Gurlitt-collectie, waar sinds 2013 zoveel over gezegd en geschreven is. Bonn toont er zo’n 250, en besteedt met veel foto’s, tekstborden en originele documenten aandacht aan de problematische rol van de kunsthandel in het Derde Rijk. Tegelijk toont het Kunstmuseum Bern, waaraan de in 2014 overleden Cornelius Gurlitt zijn collectie heeft vermaakt, nog eens 200 werken. In Bern concentreert men zich op ‘entartete Kunst’, moderne kunst die de nazi’s als ‘on-Duits’ in de ban deden.

Als roofkunst geïdentificeerd: Porträt einer junge Frau van Thomas Couture. Foto collectie-Gurlitt

Werk uit de familiecollectie: Waterloo Bridge van Claude Monet. Foto collectie-Gurlitt

Het Zwitserse museum heeft alleen kunstwerken geaccepteerd waarvan is vastgesteld dat ze in geen geval geroofd zijn of door joodse eigenaren onder druk zijn verkocht. De schilderijen, tekeningen en beelden die wel een verdachte of onduidelijke achtergrond hebben, zijn voorlopig in Duitsland gebleven, waar hun herkomst wordt onderzocht.

Dat laatste maakt een bezoek aan de Kunsthalle in Bonn tot een verwarrende ervaring. Onbevangen kijken naar de uitgestalde schilderijen, tekeningen en beelden is er niet bij. Het is immers ‘verdachte kunst’, mogelijk op misdadige wijze afhandig gemaakt van joodse bezitters die zijn gevlucht of vermoord. Dus wat moet je? Eerst het intrigerende Portret van een jonge vrouw van Thomas Couture bekijken, op je laten inwerken, ervan genieten? Of toch eerst maar even zien wat er op het bordje met de toelichting staat: op 25 oktober geïdentificeerd als naziroofkunst, afkomstig uit de verzameling van de Franse joodse politicus Georges Mandel, die in 1944 werd vermoord door Franse helpers van de Gestapo.

Dubbelportret

Van niet meer dan 150 werken uit de Gurlitt-verzameling is het onderzoek afgerond. Op veel bordjes staat dat de herkomst nog onderzocht wordt, zoals bij het heerlijk groteske dubbelportret Paar van Hans Christoph. Op andere dat er „op dit moment geen verdenking bestaat dat het roofkunst is”.

Of de uitkomst van grondig onderzoek is uiteindelijk onbeslist – zoals bij Dame en profil van de vroege impressionist Jean-Louis Forain. Dit portret komt uit de verzameling van de joodse notaris en kunstverzamelaar Armand Dorville uit Parijs. Via de eveneens joodse kunsthandelaar Léopold Dreyfus is het op onbekende wijze in bezit gekomen van Hildebrand Gurlitt en later geërfd door diens zoon.

Uit de uitgebreide toelichting bij dit schilderij blijkt goed hoe ingewikkeld, en tijdrovend, het kan zijn om de herkomst van deze kunstwerken te achterhalen. Hetzelfde geldt voor het uitgebreid beschreven lot van de collectie van de joodse advocaat Fritz Glaser, waaronder de spannende gouache De Gesluierde, van Otto Griebel.

Van een ‘verzameling-Gurlitt’ kan je eigenlijk niet spreken, besef je op deze tentoonstelling. Het is nogal een allegaartje. Met grote namen (van Dürer en Tiepolo tot Monet, Degas, Renoir, Rodin, Munch en Kokoschka). Met meer en minder interessante kunst. Maar zonder dat er een persoonlijke voorkeur of smaak in valt te herkennen. Het is dan ook (een deel van) de voorraad van een handelaar, die dacht hier klanten voor te kunnen vinden. Dát was het criterium waarmee deze ‘collectie’ – op enkele uitzonderingen na – bijeen is gebracht.

Mogelijk roofkunst: Dame en profil van Jean Louis Forain (1881). Foto collectie-Gurlitt

Zo’n uitzondering is de in rook en mist gehulde Waterloo Bridge van Monet, die sinds 1923 in het bezit van de familie Gurlitt was. Dat het doek hier een mooie plaats krijgt spreekt vanzelf. Maar dat het ook op het omslag van de catalogus staat is wat vreemd – met ‘roofkunst’, het thema van deze tentoonstelling, heeft het niets te maken.

Wat hier opvallend ontbreekt is een kritische blik op het laatste hoofdstuk van het spectaculaire Gurlitt-verhaal. Want over de rol van de Duitse autoriteiten, en de manier waarop zij Cornelius Gurlitt hebben behandeld sinds ze hem in 2010 in het vizier kregen, is het laatste woord nog niet gezegd.

De excentrieke Gurlitt had zélf met de handel in geroofde kunst niets te maken, en de kunstwerken waren zijn eigendom. Het bezit van roofkunst mag immoreel zijn, een strafbaar feit is het niet. Met twijfelachtige motivering viel de politie in 2012 zijn appartement binnen en werden alle kunstwerken in beslag genomen (de pers kreeg er pas anderhalf jaar later lucht van). Was Gurlitt niet in 2014 overleden, schreef de Süddeutsche Zeitung onlangs, dan had de zaak kunnen uitlopen op een voor de staat pijnlijk juridisch proces, waarin Gurlitt een hoge schadevergoeding had kunnen eisen.