Column

Literatuur voor niet-autorijders

Michel Krielaars

Op doorreis in de Franse provincie kocht ik onlangs de novelle Le passager de la nuit van Maurice Pons (1927-2016). Het boek bracht me meteen uit mijn evenwicht. Het deed me dan ook goed toen ik het bij terugkeer in Nederland in een mooie vertaling van Mirjam de Veth zag liggen, met de titel Nachtpassagier.

De eerste zin van Pons’ novelle luidt: ‘De avond viel.’ En dan: ‘Op de weg, die inmiddels breed en vlak was, schreven de gele strepen in de bochten snelle morseberichten.’ Mooi!

Le passager de la nuit is een roadnovel uit 1960 waarin amper iets gebeurt. Eigenlijk word je alleen maar negentig bladzijden lang meegevoerd in een auto tijdens een nachtelijke rit.

Aangezien ik zelf geen rijbewijs heb en dus nooit achter het stuur zit, is ieder boek waarin de hoofdpersoon een auto bestuurt voor mij een hele belevenis. Zo’n rit kan me niet lang genoeg duren. Als het dan ook nog nacht is, waan ik me op onverlichte, verlaten wegen een Walküre op wielen.

De verteller in het boek is een jonge schrijver, die in 1959, tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog, in zijn open sportwagen van Parijs naar de Jura rijdt, waar een kort verhaal van hem wordt verfilmd. Op verzoek van een vriendin neemt hij een zwijgzame Algerijn mee, die onafscheidelijk is van een linnen tasje, waarin je meteen een bom vermoedt. Dat vermoeden wordt versterkt doordat in Parijs de toegangswegen zijn afgesloten na een moordaanslag door Algerijnse vrijheidsstrijders op een Algerijnse ambassadeur.

Tijdens de nachtelijke rit begint die zwijgzame passagier geleidelijk aan over de oorlog in Algerije te vertellen, waarvoor de verteller zich eerder weinig lijkt te hebben geïnteresseerd. Maar die desinteresse slaat om nadat zijn medereiziger tijdens een tussenstop in een wegrestaurant voor opstandelingenleider Ben Bella is uitgemaakt. Naarmate de autoreis vordert en de verschrikkingen in Algerije als de rokken van een ui worden afgepeld, krijgt de verteller steeds meer begrip voor zijn passagier.

Terwijl dat alles gebeurt, glijdt het Franse landschap aan je voorbij. En dan is er ook nog dat magische moment waarop de verteller de motor afzet en zijn auto in stilte bergafwaarts rolt, terwijl de wind om de motorkap suist en de banden op het asfalt zingen. Grootse literatuur voor een niet-autorijder zoals ik.

Opmerkelijk is dat de vertaling van dit literaire juweel bij de piepkleine uitgeverij Vleugels is verschenen. Een variatie op uitgeverij Serena Libri, die zich op het Italiaans stort, of uitgeverij Pegasus, die de onbekendere Russische grootheden uitgeeft. Het zijn niet-commerciële boeken, die het verdienen om in vertaling te verschijnen. Voor de echte literatuur lijkt die manier van uitgeven in een afkalvend boekenlandschap, waarin grote concerns in zwaar weer verkeren en uit elkaar vallen, steeds meer de toekomst te worden.

Een blik op de website van uitgeverij Vleugels laat zien dat ze met name vertaalde literatuur uitgeven. Het bedrijf is gevestigd in Bleiswijk en wie erachter zit is onduidelijk. Maar ik hoop dat het iemand is met een dikke portemonnee, die er niet voor terugdeinst om te doen wat hij of zij belangrijk vindt. Voor het nut van de literatuur, van het boekenvak, van de verlichting van het Nederlandse volk, en van de rijbewijsloze medemens.