In de Amsterdamse grauwsluier leeft het

Zwart is de rand van de balkonbalustrade, zwart de vensterbank en zwart de aanslag op ramen die nooit gezeemd worden. Onbedoeld zwart. Vuil. En niet hier en daar, maar overal.

Glazenwasser bij een Amsterdams grachtenpand Foto Cor Mulder

Zwart is de rand van de balkonbalustrade, zwart de vensterbank en zwart de aanslag op ramen die nooit gezeemd worden. Zwart is ook het zadel van de fiets die lang ongebruikt bleef. Onbedoeld zwart. Vuil. En niet hier en daar, maar overal. Zo is de toestand in de hoofdstad.

Is het karakteristiek voor Amsterdam? Dat weet de Amsterdammer niet, hij houdt de mogelijkheid open dat ook verderop in het land ongewenste verzwarting optreedt, in het Rijnmondgebied misschien, hij kan dat niet uitsluiten want hij komt daar niet, maar voor hem staat vast dat het in Amsterdam het ergst is. Hij kent ook de bronnen van de vervuiling: de kolencentrale aan de Hemweg die dag en nacht rook en smook over de binnenstad braakt, het nabije Schiphol dat altijd maar groeien mag en dan het over de binnenring voortrazende dieselverkeer. De toeristen? Die ook.

De grauwsluier van Amsterdam, daar eindigt dit stukje mee. Maar het begon met verwondering over de diepzwarte plekken die in de loop van de zomer rond de Amsterdamse linden tot ontwikkeling kwamen. Nooit eerder opgemerkt, maar op den duur leek er geen linde te vinden waaronder het plaveisel niet roetzwart was. Nu het blad van de bomen valt, wordt steeds duidelijker dat het geen schaduw is. Raadselachtig.

Vroeger zag je wel meer vreemde zwarte plekken. Toen het merendeel van de bromfietsen nog op vette mengsmering reed, benzine met 4 of 5 procent olie er doorheen, toen zag je ze vooral op het fietspad. Er zat zoveel olie door de brommerbenzine dat de motor het niet verbrand kreeg en van de weeromstuit afzette in de knaldemper. Die glom ervan. Onder het dempereind hing altijd wel een druppel te wachten tot een slag of stoot hem los zou slaan, bij gaten in de weg of hoge hobbels. Daarachter ontstond op den duur een vette olievlek. Het voordeel was dat de genadeloos voortjakkerende Berini-rijder de gevaarlijke gaten al op grote afstand zag liggen.

‘Zwarte schimmel’

Wat is het zwart rond de stamvoet van de linden? Google wees de weg: het is ‘zwarte schimmel’, of mooier: roetdauw op honingdauw. ‘Honingdauw’ heet het suikerrijke uitscheidingproduct van de bladluizen die ‘s zomers massaal de lindebladen bezetten. Ze produceren zóveel van het goedje dat het gestaag naar beneden miezert. Dan hoopt zich honingdauw op op het plaveisel en van lieverlee gaan daarop schimmels groeien, vaak zwarte: ‘sooty mold’. De literatuur noemt Cladosporium- en Alternaria-soorten.

In het monster werden vooral algen, schimmels, bacteriën, stuifmeelkorrels en resten van planten en insecten gevonden

Met de mogelijkheid dat de honingdauw gewoon zwart wordt doordat er stadsvuil aan blijft kleven lijkt de literatuur geen rekening te houden – terwijl dat toch voor de hand ligt. Bedenk dat ook bandenslijpsel roetzwart is. Het leek de moeite waard om eens met behulp van een microscoop te bekijken hoe het precies zit. Dat is simpel genoeg: je neemt met een nat gemaakt wattenstaafje een veegmonster en drukt het staafje weer uit op een objectglaasje. Bekijken bij een vergroting van 10×40.

Uitsluitsel gaf dit niet. Er kwam van alles in beeld: schimmeldraden, algen, stuifmeel, vliesjes en rommeltjes, maar zonder duidelijke dominantie van het een of het ander. Dat was ook te voorzien geweest. Het méést voor de hand ligt dat zich èn schimmel èn stadsvuil afzet op de honingdauw.

Ongezeemde ramen

Zo verschoof de belangstelling naar het zwart op het balkon, de vensterbank en de ongezeemde ramen. Wat zou dat zijn? Kolenvuil, vliegtuig- en dieselroet? Een Google-search met zoektermen als ‘urban dust’, ‘urban aerosol’, ‘soiling’ en nog zowat voerde voornamelijk B-onderzoek aan. De een analyseerde vuil op straat, de ander filterde stof uit stadslucht. Herkomst en effect van de vervuiling wordt meestal afgeleid uit een elementenanalyse van het vuil: hoeveel koper, aluminium, lood, enzovoort, zit erin. Men bekommert zich niet om de microscopische verschijningsvorm van de vuildeeltjes.

Qin-Tao Liu en collega’s bestudeerden de aangroei van aanslag op de ramen van kantoorgebouwen in het centrum en de buitenwijken van Baltimore (Environmental Pollution, 2003). Op brandschone, ontvette glasoppervlakken zetten zich nauwelijks vuildeeltjes af, stelden ze vast. Er ontstaat pas goede ‘droge depositie’ van vuildeeltjes nadat zich op het glas een organische film heeft gevormd die voldoende kleverig is. Het lijkt erop dat de bouwstoffen voor de film vooral door het wegverkeer worden geleverd.

Casimiro A. Pio en collega’s hielden bij hoe snel houten en stenen testobjecten vervuilden die 25 meter hoog op een gebouw in Oporto waren uitgestald, al of niet onder een afdakje (Atmospheric Environment, 1998). Onder het afdakje werden de objecten almaar vuiler, maar daarbuiten ontstond onder invloed van regen en zonnestraling na een jaar een zeker evenwicht tussen aanvoer en afvoer van vuil. Mooi: er zijn steensoorten die steeds schoner worden doordat ze oplossen onder invloed van luchtverontreiniging.

Het vuil op glas en gevels bestaat uit autoroet èn bodemdeeltjes, zeggen zowel Liu als Pio. Ook bodemdeeltjes? Misschien wel vooral bodemdeeltjes. In het AW-veegmonster van vervuilde Amsterdamse ramen (5 meter boven het maaiveld) werden overwegend algen, schimmels, bacteriën, stuifmeelkorrels en resten van planten en insecten aangetroffen. Nauwelijks anders dan in de lindemonsters. Roet? Hoe zouden roetdeeltjes eruit zien? We moeten er misschien van uitgaan dat de Amsterdamse grauwsluier gewoon uit Amsterdamse veengrond bestaat.