‘Ik vond Eindhoven echt een vreselijke stad’

Spitsuur Ingeborg Zwolsman (50) en Lourens Penning (55) kenden elkaar al, maar het werd pas wat nadat ze elkaar opnieuw tegenkwamen in Eindhoven. Ze werken vaak allebei thuis. „We zijn allebei getraind in het kantoorritme.”

Foto David Galjaard

Lourens: „Meestal zet ik ’s avonds de ontbijttafel klaar. Of jij.”

Ingeborg: „We zijn volledig inwisselbaar.”

Lourens: „Absoluut. We hebben niet echt een man- of vrouwverdeling. Je moet zorgen dat je je eigen leven stuurt. Niet door een ander je was laten doen of zorgen dat je altijd van een ander afhankelijk bent.”

Ingeborg: „’s Ochtends ontbijten we meestal wel samen, om half acht.”

Lourens: „Margje komt om acht uur de keuken in gerend. Twee slokken thee en dan is ze de deur uit.”

Ingeborg: „Steven slaapt steeds vaker bij vrienden in Breda. Hij studeert chemische technologie. Een enorme bèta, net als ik.”

Lourens: „Wij hadden thuis al vroeg een computer, rond 1980. Daar zaten spelletjes op. Die was ik toen al aan het modificeren.”

Ingeborg: „Maar dat waren hele simpele spelletjes. Pong!”

Lourens: „Eigenlijk ben ik meer een talen-man, maar ook dan kun je prima programmeren. Toen ik twintig was besloot ik Engels te gaan leren, maar ik dacht, ik moet niet naar een talencursus want daar komen alleen maar mensen die ook geen Engels spreken. Toen ben ik in Londen naar een school voor programmeurs gegaan. Ik kwam daar binnen in zo’n zaal met eenpersoonshokjes. Om half een ging de bel voor de lunch. In de kantine stonden ook eenpersoonstafels. Verschrikkelijk!”

Eindhoven

Lourens: „Ik ging in Eindhoven wonen toen ik bij Philips begon.”

Ingeborg: „Ik vond het echt een vreselijke stad, al kom ik uit Veldhoven, dat ligt ernaast. Ik was 21 toen ik klaar was met studeren. Toen heb ik een wereldreis gemaakt en een jaar in Australië gewerkt. Daarna moest ik een baan krijgen in Nederland, maar er was in die tijd enorm veel werkloosheid. Ik heb zelfs nog een tijd als taxichauffeur gewerkt.”

Lourens: „Ik had ook iets van 96 sollicitaties, herinner ik me nog.”

Ingeborg: „In Eindhoven kon ik een anti-kraakwoning krijgen en een baan.”

Lourens: „Ik kende haar al van vroeger, maar toen ze terugkwam van haar reis werd het wat.”

Ingeborg: „Toen was ik ineens interessant.”

Thuis werken

Ingeborg: „Als we allebei thuis werken gaan we om kwart over acht keurig naar onze werkkamers. We zijn allebei getraind in het kantoorritme.”

Lourens: „Om elf uur loop ik langs Ingeborg en vraag: ‘koffie drinken?’” 

Ingeborg: „Ik ben begonnen als projectleider bij Hago, een schoonmaakbedrijf. Maar schoonmaak is een behoorlijk harde business. Vanaf 2010 ben ik overgestapt naar de Vebego Foundation, onderdeel van dezelfde holding. Doel van deze stichting is het leven van mensen verbeteren, met hulp van eigen medewerkers. Zaterdag gaan we bijvoorbeeld naar Sri Lanka om een community home te bouwen voor vrouwen. We hebben een lokale aannemer gecontracteerd, maar er bouwen ook vijftien Vebego-collega’s mee. Ik organiseer zo’n project en selecteer de mensen. De andere twee dagen in de week werk ik voor andere opdrachtgevers. De eerste tien jaar van mijn loopbaan vond ik het heel interessant om werknemers zo efficiënt mogelijk te laten werken. Tegenwoordig ben ik meer van goed doen en kijken: wat levert dat je op.”

Lourens: „Ik bezoek twee tot drie dagen per week klanten, medewerkers of ben op het hoofdkantoor. De rest van de tijd zit ik lekker thuis te werken en te bellen via Skype.”

Ingeborg: „Ik ben zes keer per jaar een week weg. Als ik niet op reis ben of onderweg werk ik vanuit huis.”

Keukentafel

Ingeborg: „Rond een uur of drie hebben we een moment dat we alle vier thuis zijn. Het avondeten lukt vaak niet meer samen. Margje is veel aan het sporten en Steven heeft bijbaantjes en hockeytraining.”

Lourens: „We zitten dan altijd even met elkaar, gewoon gezellig. Soms fietsen er mensen langs en die maken dan altijd opmerkingen over het feit dat wij om half vier met zijn allen aan de keukentafel zitten.”

Ingeborg: „Dan lijkt het dus alsof je niks doet. Maar daar moet je je niets van aantrekken.”

Lourens: „We koken iedere dag om beurten, gewoon wie er die dag thuis is en zin heeft.”

Ingeborg: „Boodschappen doen we hier om de hoek. We proberen op zaterdag in te kopen tot en met dinsdag en daarna laten we het los. Op woensdag komt mijn broer hier eten. Hij werkt ’s nachts en dan moet het eten ook echt om zes uur klaar zijn.”

Lourens: „Verder eten we meestal om half zeven. Dan tafelen we nog even na met koffie. We maken nog even werk af, gaan naar de hockey of Ingeborg loopt naar de Dahlia-tuin. Donderdag heb ik nog een kookcursus. Tot tien uur ben ik zeker bezig.

Ingeborg: „Ik lees graag en probeer om twaalf uur naar bed te gaan.”

Lourens: „Dat vind ik echt te laat.”

Ingeborg: „Ik kijk altijd nog even naar Pauw en Jinek.”

Lourens: „En de herhaling van DWDD die je hebt gemist om zeven uur.”

Ingeborg: „Die probeer ik niet te doen, maar dat overkomt me dan weer wel.”

Lourens: „Hoe laat was het gisteren?”

Ingeborg: „Een uur. Maar je hoeft niet alles te melden.”