Cultuur

Interview

Interview

Foto Merlijn Doomernik

Ik schaam me dat ik het ballet heb opgegeven

Suzanna Jansen vindt zichzelf, ondanks haar succes, nauwelijks schrijver. Ze wilde liever als danseres bij de wereld van de kunst horen. Haar nieuwe boek gaat over een architect en een danseres.

De voorouders van Suzanna Jansen leefden generaties lang in afzichtelijke armoede. Jansen nam schitterend wraak. Ze spitte de familieverhalen uit, stuitte op de heropvoedingsexperimenten die werden losgelaten op de 19e en 20ste eeuwse onderklasse en schreef een bestseller: Het pauperparadijs (2008). Dat is nu ruim 300.000 keer verkocht. Het werd bewerkt tot een theatervoorstelling in het Drentse Veenhuizen, die negentigduizend mensen gingen zien. En nog is het niet klaar: vanaf juli 2018 wordt de voorstelling opnieuw gespeeld, in het Amsterdamse theater Carré.

Hoe is het leven na een bestseller?

„Bizar. Ik was als de dood dat niemand Het pauperparadijs zou lezen, maar vanaf de eerste week ging het goed en na negen jaar krijg ik nog altijd mail van mensen die er iets over kwijt willen. Voor het schrijven had het succes twee kanten. Het gaf me grond onder mijn voeten. Kennelijk was ik goed genoeg. Maar toen ik met mijn nieuwe boek bezig was, had ik het gevoel dat er over mijn schouder mee gekeken werd en gefluisterd: Nóg zo eentje, nóg zo eentje. En ik dacht steeds: Kán ik niet, doe het zélf! Ik wilde iets totaal anders schrijven. Zonder ik-persoon. Geen feiten maar fictie. Ik heb het geprobeerd en het ging niet.”

Het ging zelfs helemaal niet. Ondanks de zwaartekracht, heet het tweede boek van Suzanna Jansen. Het gaat over een architect en een danseres die zich honderd jaar geleden weigeren neer te leggen bij de zwaarte van het bestaan. De architect is Cornelis van Eesteren (1897-1988), idealist en geestelijke vader van de eerste Amsterdamse tuinstad Slotermeer. Hij werd wereldberoemd. De danseres is de Groningse schippersdochter Steffa Wine (1913-1991). Na een woest Europees bestaan als danspionier begon ze in Slotermeer een balletschool. Niemand denkt nog aan haar. Derde hoofdpersoon van Ondanks de zwaartekracht is de kleine Suzanna Jansen (1964). Kind in Slotermeer, onbewust snakkend naar de muzen en vastbesloten om ballerina te worden.

Wat krijgen de lezers van Ondanks de zwaartekracht die Het pauperparadijs in hun achterhoofd hebben?

„In Het pauperparadijs beschrijf ik hoe vijf generaties zich ontworstelen aan armoede die aangeboren lijkt. Met Ondanks de zwaartekracht zet ik de volgende stap: genoeg te eten, werk, een dak boven je hoofd – het is allemaal nodig, maar het is niet genoeg. Mensen hebben dromen nodig, ideeën, cultuur, kunst.”

Een roman hoefde helemaal niet. De werkelijkheid van Van Eesteren en Wine sleurde u door het Europa van de jaren twintig en dertig, en reikte u de meest curieuze wendingen aan.

„Het lag allemaal klaar en ik zag het liggen. Steffa Wine koos voor de dans in een tijd dat danseres geen beroep was, maar een risico voor je goede naam. Haar keuze leidde haar buiten de gebaande paden. Aannemerszoon en architectuurstudent Cornelis van Eesteren won de Prix de Rome. Daardoor belandde hij in de kringen van de Duitse avantgarde en het Bauhaus, waar hij het idee opvatte om een nieuwe wereld te scheppen.”

En u groeide op in tuinstad Slotermeer. Gebouwd door Van Eesteren. Met het dansschooltje van Steffa Wine als lichtpuntje.

„Die balletschool was voor mij een magneet. Wat daar gebeurde, wist ik niet. Ik ben er als kind nooit binnen geweest, mijn ouders vonden het te duur. Maar dat er zo’n school bestond was me genoeg. Het leek een geheime tunnel naar andere universa. Dat alleen al was voor mij een openbaring.”

Via een omweg kwam Jansen als puber toch terecht op een professionele dansopleiding. Ze had talent en discipline en ze trainde hard. Tevergeefs. Het ging mis. Ze raakte geblesseerd en het lukte haar niet te genezen.

De hartverscheurende, laatste zin van uw boek luidt: ‘Ik had danseres kunnen worden, alleen ik was het niet’.

„Dat is de realiteit. Ik had danseres kunnen worden. Ja, het was voor me weggelegd. Ja, het had gekund. En tegelijk is dat níet zo. Het is mislukt. Dat zijn twee werkelijkheden.”

Die twee werkelijkheden waren samen een bom en die ontploft in dit boek.

„Dat is zo en dat realiseer ik me sinds twee dagen. Nu pas begrijp ik dat ik me via dit boek wilde verzekeren van het recht om bij de wereld van de kunst te mogen horen. Ik hoorde er niet thuis door waar ik vandaan kom. Ik heb het geprobeerd via de dans en ik werd verstoten.”

‘Ik gaf het op’ schrijft u plotseling. Klein zinnetje, intens drama.

„Daar heb ik heel erg omheen gedraaid, ik dacht hoe moet ik dat nu opschrijven. Ik ben onvoorstelbaar verdrietig geweest, de eerste twee jaar kon ik er niet om huilen, zo erg was het. Toen ik het voor dit boek opschreef, schaamde ik me. Ik dacht, ik heb het dus werkelijk opgegeven.”

Maar u hebt een bestseller geschreven! En daar is een theaterstuk naar gemaakt dat bijna honderdduizend mensen hebben gezien!

„Het succes van Het pauperparadijs en van het stuk [Jansen was er als dramaturg aan verbonden] was geweldig. Maar ze maakten nog niet dat ik het recht had om iets te mogen scheppen. Ik stond voor een rotswand. Met Ondanks de zwaartekracht beuk ik daar doorheen. Báf… báf…. Ik lig er wakker van, het spookt door mijn hoofd.”

U wilde danseres worden. Het lot bepaalde dat u schrijver werd.

„Het lot heeft bepaald dat ik twee boeken heb geschreven en nu noemt de buitenwacht mij schrijver. Ik bén schrijver, ja, maar ik heb dat nooit geambieerd. Schrijven doe je alleen met je hoofd. Daar kan iets moois uit komen, maar het spreekt maar een deel van mij aan.”

Schrijven doe je alleen met je hoofd. Het spreekt maar een deel van mij aan.

U beschrijft de bewustzijnsvernauwing waar u in verkeerde toen u nog danste.

„Dans is pure schoonheid en het vergt totale toewijding. Ik las geen boeken meer, zag geen vrienden, politiek interesseerde me niet meer. Er bestond alleen ballet. Nu zegt iedereen: het is maar goed dat je met dansen gestopt bent en weer om je heen bent gaan kijken. Maar dat vind ik niet. Ik zou er zo weer voor kiezen. Het is ultiem om je aan die schoonheid te mogen, ja te mógen, wijden: met je spieren en je mentaliteit, maar ook met je ziel en je hersens. De geschiedenis van de dans is veel te weinig beschreven. In Ondanks de zwaartekracht stamp ik met mijn voet en zeg: nu zullen jullie luisteren! De Nederlandse dansgeschiedenis is niet minder belangrijk dan de geschiedenis van het Bauhaus.”

Er is een foto van Steffa Wine, tijdens de oorlog, met soldaten. U vreest, schrijft u in uw boek, dat hun uniformen Duits zijn. Hoe staat u tegenover uw personages?

„Ik voel me verantwoordelijk. Ik kies uit hun levens en maak karakters van ze. Daar hebben ze niet om gevraagd dus dat moet ik integer doen.”

En wat als het wél Duitse uniformen geweest waren?

„Dan had ik daar enorm de pest over in gehad. Steffa heeft in 1943 in Berlijn opgetreden. Dat vind ik niet leuk. Tegelijk maakt het haar veel interessanter.”

Suzanna Jansen: Mensen hebben dromen nodig, ideeën, cultuur, kunst. Foto Merlijn Doomernik

Over Cornelis van Eesteren schrijft u zulke zinnetjes niet.

„Maar ik deed wel iets anders. Ik voelde me beschroomd, omdat ik niet alleen zijn carrière beschrijf maar ook zijn intimiteit. In ruil heb ik geciteerd uit mijn eigen meisjesdagboek. Wat niemand mag lezen, nog steeds niet.”

Suzanna Jansen wijst naar een stapel grote, baksteendikke boeken. Ze zegt: „Ik vond Van Eesteren ingewikkeld als personage. Ik dacht, wat moet ik, alles is al bekend. En toen trof ik in zijn archief zeven jaar brieven aan zijn vriendin aan. Daar had nog niemand naar omgekeken. Ik vind ze zo mooi, ik had die brieven liefst integraal in mijn boek opgenomen. Ze onthullen dat er achter de veelbeschreven façade van stugge, strenge man iemand schuil ging die werd verteerd door zijn gevoelens. ‘Men ziet het niet aan mij, maar het stormt in mijn binnenste’ schrijft hij. In 1922, aan het begin van zijn carrière, noteert hij in zijn dagboek: ‘Stedebouwkunde is het organiseren der aarde’. Ik dacht wow, jongeman! Ga d’r maar aan staan. Stedebouwkundigen spelen voor god, ja. En daar hebben wij baat bij.”

Slotermeer is een gemankeerd kunstwerk.

„Van Eesteren ontwierp iets heel moois en toen greep de realiteit in. Het pakte heel anders uit. In de tijd van de Wederopbouw moest alles goedkoper en zo snel mogelijk staan. De tuinstad werd bevolkt met de gedachte dat je dezelfde soort mensen bij elkaar moest zetten. Er was 90 procent sociale woningbouw. Dat is funest geweest. Maar als je kijkt naar het moment waarop Van Eesteren dit bedacht, toen de volgepropte steden bestonden uit slecht onderhouden, ongezonde huizen, dan was het fantastisch.”

‘Mag het wat gezelliger?’ schrijft u.

„Haha, dat bedoelde ik ironisch.”

Maar ik niet.

„Ik moet zeggen dat het heerlijk was om daar jong te zijn. En als ik er nu rondloop en al die doorkijkjes en dat groen zie, denk ik nog steeds: geweldig. Van Eesteren had oog voor detail. Hij vroeg zijn studenten: waar kunnen in jouw plan de kinderen met een stokje langs een hek ratelen? Dat jij het benepen vindt, ligt niet aan de huizen en de lay-out van de buurt, maar aan het gebrek aan variatie. Het begon met elfduizend dezelfde woningen, waar alles praktisch moest zijn. Cultuur was een frivoliteit.

Op driekwart van uw boek las ik: ‘Een nieuw begin is nooit echt mogelijk’.

„Je sleept bagage mee vanaf de dag dat je geboren bent. Die kan je hinderen of helpen, maar uitwissen gaat niet. En dat kan heel dramatisch zijn.”

Enkele bladzijden later vraagt u zich af in hoeverre iemand van „boven de 50” nog werkelijk onbevangen kan denken.

„Die zin stond aanvankelijk in het eerste hoofdstuk. Ik vind het een relevante vraag. Rond je vijftigste zou je de kracht van de onbevangenheid verliezen. Of ik de gelegenheid heb om net zo te experimenteren als iemand van twintig, weet ik niet. Maar ik heb nu veel meer te bieden dan toen ik twintig was. Ik ben net 53 geworden. Wacht maar af.”