Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

‘Ik mag liegen zoveel ik wil’

Deze week moest Charlotte Mutsaers van alles uitleggen over haar nieuwe roman, waarin ‘zij’ kinderporno van haar dode broer verkoopt. ‘Moeten we daar weer over praten? Ik raak nog in een depressie.’

De nieuwe roman van Charlotte Mutsaers (75), Harnas van Hansaplast, begint met de dood van haar broer, op 29 december 2001. Hij wordt door de politie gevonden op zijn bed, in een pyjamajasje, zonder broek, omringd door stapels porno. Hij was eenenvijftig jaar.

Zijn huis, het ouderlijk huis aan de Nieuwegracht in Utrecht, is een chaos. Dikke lagen stof, dozen vol aantekeningen, kasten vol stripboeken, nog veel meer porno en, Charlotte Mutsaers moet bijna huilen als ze het ziet, een mannetje van Hansaplast, vastgeplakt aan een zolderbalk, met onder zijn voeten de tekst: ‘IK’.

Alles moet worden opgeruimd. De kleren, de serviezen, het zilver en het antiek, de manshoge en met bladgoud omlijste portretten van haar ouders waarvan ze niet weet wat ze ermee aan moet. Na lang aarzelen zet ze die met hulp van haar zuster bij het grofvuil.

De porno, ook kinderporno, honderd kilo bij elkaar, verkopen ze aan een handelaar in de Zadelstraat. De boekjes zaten verstopt in de kist waarmee Hugo de Groot in 1621, in zijn ondergoed en zijden kousen, was ontsnapt uit Slot Loevestein. Die hadden Mutsaers’ ouders in huis. Een erfstuk, schrijft ze.

De handelaar, een reus van een vent, is geïmponeerd door wat hem wordt aangeboden en pakt de telefoon om een collega te raadplegen. „Sjors, ik heb twee dames voor me met porno de luxe, wat doen we?” ’s Middags komt hij onverwachts langs op de Nieuwegracht. Charlotte Mutsaers, in 2001 bijna zestig (tenminste, als personage en auteur samenvallen), staat net een zomerjurkje van veertig jaar geleden te passen dat ze in een oude kast gevonden heeft. Roze streepjes, parelmoeren knoopjes, smokwerk. Haar zuster vindt het belachelijk en kijkt naar haar zoals hun moeder naar haar zou hebben gekeken. Afkeurend. Maar de handelaar vindt het prachtig en slaat haar bij de voordeur al op haar rug. „Waar is die andere dame, als ik vragen mag?”

„Die is even een ommetje maken.”

„Top, dan hebben we het rijk alleen. Of bent u niet in voor een wederzijds pleziertje?”

Charlotte Mutsaers neemt de handelaar mee naar de kist en hij pakt weer de telefoon om zijn collega te bellen. „Klinkklaar goud hier, first class. Je zou niet weten wat je zag. Het meest van BAF en Sandwichchild. Maar ook Bommetje Grommetje zit erbij. Pakken en niet laten lopen, luidt mijn advies.”

Vintage Mutsaers. De boosaardige moeder, het meisje en de man, de erotiek, de grappen, de absurditeit, het spel met feit en fictie – het zijn thema’s in Rachels rokje (1994), in Koetsier Herfst (2008), in bijna al haar werk. Maar de broer is nieuw. Die kwam er tot nu toe niet in voor.

Dus het eerste gesprek, een paar weken geleden, begint met de vraag of die broer wel echt is.

We zitten in Mutsaers’ schrijfappartement in Amsterdam, de hond ronkt in zijn mand, de regen klettert tegen de ramen, we eten een stuk frambozentaart, en zij zegt: „Geen vruchtbare vraag. Voor een schrijver is het altijd fifty-fifty. De helft ervaring en de helft grote duim.”

En uw broer…?

„Komt niet uit mijn duim. Hij was echt mijn broer. Al die aantekeningen die ik van hem gebruik, de lijsten waarop hij precies bijhield wat hij at – geen letter aan veranderd.”

En de porno?

„Allemaal echt.”

Ook de kinderporno?

„Ook.”

En de Charlotte Mutsaers in uw roman, is die echt?

„Dat mag je niet vragen. Dat mag je nooit aan een schrijver vragen.”

Waarom niet?

„Dan wordt die verleid, of gedwongen, om eh…”

…te liegen?

„Ja.”

Bent u het?

„Ja. Ten aanzien van de dood van mijn broer val ik samen met de Charlotte in het boek. Bij het schrijven werd ik steeds solidairder met hem, door het vlijmende besef dat wat hem is overkomen mij ook had kunnen overkomen. Daarom maak ik mezelf in het boek, hoe moet ik dat zeggen, misdadig door kinderporno te verkopen, waarmee ik lijk te zeggen: ik heb ook zo’n mooi karakter niet. Ik maak mezelf opzettelijk eh…”

Medeplichtig?

„Ja.”

Maar als personage.

„Als personage, ja. Ik zou in het echt natuurlijk nooit kinderporno verkopen.

In een interview in de Volkskrant, vorige week zaterdag, ging het ook over die kinderporno, en of ze die nou wel of niet verkocht had. Ze hield vol dat het allemaal precies zo gebeurd was als in haar boek. Wat in het midden bleef: of we hier, tijdens het interview, met de auteur of met het personage Mutsaers te maken hadden.

Een paar andere schrijvers meenden dat het de persoon was en beschuldigden haar op Twitter van strafbare feiten. Maandagavond kon Charlotte Mutsaers een en ander komen uitleggen in De Wereld Draait Door.

De dag erna ging ik naar de Zadelstaat in Utrecht om de roman te confronteren met de werkelijkheid en zo meer te weten te komen over Mutsaers’ werkwijze. Seksshop OT in het boek – eigenlijk HOT, maar de H is weggevallen – blijkt Sexshop de Dom te heten en de man achter de toonbank is bepaald geen reus – eerder het type van de kruidenier.

Mag ik u wat vragen?

„Natuurlijk.”

Uw winkel speelt een rol in een roman…

„O ja?”

…van Charlotte Mutsaers, en nu wil ik graag…

„Charlotte Mutsaers? Die ken ik. Nou ja, kennen. Ik heb spullen van haar overgenomen, in 2001 of 2002. Ze had haar broer verloren en toen kwam ze hier binnen, dat ze spullen had, boekjes en zo, en die heb ik toen overgenomen.”

Zat daar kinderporno tussen?

„Niet bij wat ze mij aanbood. Ze had alles eruit gehaald wat niet goed was.”

Dus geen kinderporno?

„Daar kan ik niks mee, hè. Als ik dat in mijn winkel heb, ben ik vandaag dicht en zit ik morgen in de gevangenis. En daar heb ik het dan niet fijn.”

Bent u bij haar thuis geweest?

„Ik? Bij haar? Nee, hoor. Volgens mij heeft ze die spullen gewoon hier afgeleverd.”

Al die vragen over wat waar is en wat niet, zo oninteressant.

’s Middags: weer naar Charlotte Mutsaers in haar Amsterdamse appartement.

„Wat een toestanden”, zegt ze meteen als ze heeft opengedaan. „Heb je De Wereld Draait Door gezien? Ik was zo bang dat ik in snikken uit zou barsten. Weet je dat op het ANP het bericht staat dat ik de enige echte kist van Hugo de Groot heb? Het moet ook niet gekker worden.” Ondertussen zet ze thee en presenteert ze een schaaltje pitmoppen.

Ik was bij de pornohandelaar in de Zadelstraat.

„Wérkelijk? Kende hij me nog? Wat zei hij?”

Dat u hem geen kinderporno heeft verkocht.

„Nou, dat klopt. Die hadden we laten vernietigen door de boedelruimer. Moeten we daar nou weer over praten? Ik raak nog in een depressie. Al die vragen over wat waar is en wat niet, zo oninteressant. Ik mag schrijven wat ik wil en ik mag liegen zoveel ik wil, als het om mijn boek gaat. Ik kan niet anders. Je moet je boek altijd trouw blijven.”

Aan het begin van Harnas van Hansaplast schrijft Mutsaers hoe ze bij het schrijven aanvankelijk soms met gebalde vuist tegen haar laptop zat te tieren, zo verontwaardigd was ze over het gedrag van haar broer. „Liegbeest dat je was, weerzinwekkende rukker die niet te beroerd was om zichzelf dood te masturberen. Die zijn hele gebit naar de vaantjes heeft geholpen. Die boeken stal bij de vleet en liefst van kleine boekhandels. Die met ontblote lul de voyeur stond uit te hangen op het dak van onze ouderlijke woning.” Bij de minste tegenwerking, zegt ze – en dit is weer het eerste gesprek – kreeg hij een driftbui. Of hij dreigde met zelfmoord. „Maar gaandeweg worden die gevoelens in het boek wel gerelativeerd.”

Hij had ook brille, schrijft u.

„En humor, hij was origineel. Mijn conclusie over hem is dat eenzaamheid het gevaarlijkste is wat mensen kan overkomen. En dat je eenzaam kunt worden doordat je te origineel bent, te intelligent, te merkwaardig bent opgevoed, dingen die je buiten de wereld plaatsen, zonder dat je er schuld aan hebt.”

U durfde zijn laatste jaren niet meer alleen bij hem te zijn.

„Omdat hij woedeaanvallen had. Mijn zusje legde bij het afdrogen een keer een mes bij de lepels en toen werd hij me toch kwaad. Dan kun je wel zeggen: daar zit een andere agressie onder, maar ik hou niet van dat soort gepsychologiseer. Hij was punt uit razend dat er een mes bij de lepels lag. Hij pakte dat mes uit de la en begon ermee te zwaaien. Maar hij was ook iemand met wie je ongelooflijk goeie gesprekken kon voeren. Echt waar. Heel anders dan met mijn moeder. Met haar was het lang niet altijd leuk om gesprekken te voeren. O nee.”

Charlotte Mutsaers: “Op zijn begrafenis waren vier mensen, en een hond.” Foto Frank Ruiter

U vond haar sowieso niet zo leuk.

„Ik zeg niet dat ze verschrikkelijk wás, want er waren genoeg mensen die wel op haar gesteld waren. Maar zelf heb ik bij haar zelden iets van interesse voor wat ik deed kunnen ontdekken. Liefde kon ze moeilijk voor me opbrengen. Ik kan dat wel begrijpen, het lijkt mij ook niet fantastisch om op je eenentwintigste te trouwen en meteen een kind te krijgen. Ik werd geboren toen ze vijfentwintig was, nog steeds veel te jong, dan ben je zelf nog haast een kind. Ik tenminste wel. Nou ben ik met alles heel laat, dat moet ik er wel bij zeggen. En je gelooft het niet hè, dat je moeder niet om je lijkt te geven. Alles wat ik deed, alles wat ik haar liet zien… Mijn eerste kamer in Amsterdam, ‘o, had ik maar zo’n kamer gehad’. Verdorie nog aan toe. Of als ze kleren met je ging kopen, altijd bij Schröder of Gerzon. Je zocht je rot om iets vlots te vinden en dan pakte zij het stompzinnigste terlenka pakje uit het rek. Voor mijn eerste dansles! Met mijn knieën heb ik erop gezeten om de plooien eruit te krijgen.”

Waarom wilde u een boek over uw broer schrijven?

„Ik heb hem in een context willen zetten. Zo tragisch dat zo’n in wezen interessant iemand op zijn eenenvijftigste sterft en er op zijn begrafenis” – ze telt op haar vingers – „maar vier mensen zijn, en een hond. Het was ronduit zielig, al zou hij nooit gewild hebben dat iemand hem zielig vond. Ik hoop dat ik alles verteld heb in een stijl die zijn goedkeuring zou hebben weggedragen en ik denk dat het wel gelukt is. Hij was dol op mijn werk. Hij schreef me er lange brieven over. En sans rancune, hè. Dat vind ik zo bijzonder, want hij wist ook wel dat hij zelf niet niets was.”

U bedoelt dat hij in andere omstandigheden zijn talenten wel had kunnen ontplooien?

„Natuurlijk. Ik vind het bijzonder dat iemand die zo is tegengewerkt door het leven, of die zichzelf zo heeft tegengewerkt, haal dat maar eens uit elkaar, het je gunt dat het jou wel lukt. Terwijl mijn eigen moeder me zo weinig gunde.”

Wat vond uw moeder van uw werk?

„Ze heeft niets meegemaakt van wat ik heb bereikt” – Constantijn Huygensprijs 2000, P.C. Hooftprijs 2010 – „en ik zeg: gelukkig maar. Pas toen ze doodging, helaas voor haar al op haar negenenvijftigste, ben ik creatief goed losgebarsten. Zelfs met dit boek dacht ik: ik had het nooit kunnen schrijven als zij nog geleefd had. Dat had ik haar niet aan willen doen. Zo lief ben ik dan eigenlijk nog. Je moet natuurlijk nooit wraak op iemand nemen op een manier die even wreed is als wat die jou heeft aangedaan. Of je moet” – stralende lach – „veel wreder zijn. Ha! Kop eraf! Maar ik durf niemand te doden.”

U beschrijft uw broer in gênante omstandigheden.

„Wat bedoel je daarmee?’

Dood op bed, zonder onderbroek, omringd door porno. Het lijkt een vorm van wraak.

„Dat zegt meer over jou dan over mij, hoor. Wraak? Dat is nog helemaal nooit in me opgekomen. En ik ben goed op de hoogte van wat zich in het onbewuste kan afspelen. Nee, nee, het boek is het tegendeel van wraak. ”

Ze was zevenenhalf toen haar broer geboren werd. Haar vader en moeder waren „helemaal in hun nopjes” over het feit dat het een jongen was. „Dat had ik nooit verwacht. Ik dacht wel: je hebt al twee meisjes en dan is een jongetje leuk. Maar zó leuk? Dat juichende, ‘we hebben een stamhouder’, dat vond ik wel een beetje vreemd. Mijn moeder begon meteen te zeveren: ‘Hij zal in de sporen van de grote Lely treden!’” Cornelis Lely, van de Zuiderzeewerken, was Mutsaers’ overgrootvader. „Ze riep het al toen mijn broertje een kleuter was. ‘In hem zal de grote Lely opstaan.’ Hou toch op.”

Ze hield meer van hem dan van u?

„Ik weet niet of ze niet van me hield, hoor. Ik heb het niet gevoeld, maar dat is wat anders. Wel heb ik al op jonge leeftijd de conclusie getrokken dat een ouder niet vanzelfsprekend van zijn of haar kind houdt. Een paar jaar voor haar dood heeft mijn moeder me op een avond verteld dat ze vanaf mijn derde jaloers op me was geweest. Het hing ermee samen dat mijn vader zo dol op me was. Ik vond dat wel een heel erge bekentenis eigenlijk.”

Zo eerlijk was ze dus wel.

„Ja, en dat waardeerde ik ook. Ik kan het me wel voorstellen, die jaloezie. Je werpt een dochter op de wereld en je man gaat ermee aan de haal. Dat zijn toch allemaal dingen die je niet zo vaak hoort, maar die wel voorkomen.”

U heeft zelf geen kinderen.

„Nee, nee. Als kind dacht ik al: wat ben ik toch een bofkont dat ik niet volwassen ben en de leiding over dit gezin heb. Het gedoe en het geregel, nee zeg. En dan hadden mijn ouders nog personeel. Als mijn man en ik eters hebben, zijn we de hele dag aan het koken. Het zal toch niet waar zijn dat je een gezin hebt en je dat elke dag moet doen. Die hoeveelheden. De was! En als de kinderen niet opruimen, wat dan? ‘Pap, breng me naar dat schoolfeest… haal me af…’ Ja zeg, de groeten. Daar komt nog bij dat wij heel strak en autoritair zijn opgevoed en ik wel besefte dat ik nooit met dezelfde tactiek kinderen zou kunnen grootbrengen. Aan de andere kant vond ik het best uitstekend, want die strenge opvoeding gaf een groot gevoel van veiligheid. Mijn ouders namen op elk punt hun verantwoordelijkheid. Ze lieten ons nooit alleen. Ja, ze gingen elk jaar een keer naar Parijs, maar dan zorgden ze voor een heel aardige oppas. Altijd als je uit school kwam – thee. Dat vind ik wel heel goeie dingen, ook van mijn moeder. Ik ben een type, ik had mijn kind nooit naar de opvang kunnen doen. Onze hond gaat niet eens naar de opvang. Met kinderen had ik nooit één boek geschreven, nooit één schilderij gemaakt. Dat weet ik zeker. Ja, dat weet ik gewoon.”