Recensie

Gevangen in een brandend gekkenhuis

Russische revolutie

Honderden Nederlanders maakten in 1917 de revolutie mee. Janine Jager gaf hun een gezicht in een spannend boek. Het wordt perfect aangevuld door de herinneringen van schrijfster Teffi.

Zoutmijndirecteur B.J. Paardekoper (derde van links) met zijn vrouw Leonore (midden) in Oekraïne, in 1900. Foto uit besproken boek

‘We hebben, toen de plunderingen op zijn ergst waren, een prachtig geslaagd en druk bezocht sinterklaasfeest gehad op de club, waaraan ook verscheidene dames hebben deelgenomen, en waar tot over tweeën gedanst werd.’ Het is december 1917 als koopman Derk Harmsen deze woorden vanuit Petrograd aan zijn familie in Nederland schrijft. Lenins bolsjewieken hebben een maand eerder een staatsgreep gepleegd. Plunderingen, arrestaties en executies zijn aan de orde van de dag. Terwijl de Russische elite het land ontvlucht, probeert de Nederlandse gemeenschap er het beste van te maken. Sinterklaas is op Russische bodem waarschijnlijk niet eerder zo hartelijk toegezongen.

Harmsen is een van de honderden Nederlanders die dan in Rusland werkzaam zijn als zakenlieden, bankiers, ingenieurs, kantoorbedienden of winkeliers. Sommigen komen uit families die al generaties in Rusland wonen. Het liefst willen ze dan ook in Rusland blijven, waar ze goed betaalde banen hebben en een vorstelijk leven leiden dat in Nederland ondenkbaar zou zijn. Daarom hopen ze dat de bolsjewieken binnen niet al te lange tijd verslagen worden.

Op grond van hun dagboeken, ooggetuigenverslagen en brieven schreef historica Janine Jager Hoe komen wij heelhuids uit deze hel. Het is een relaas over nuchtere Hollanders, die zich dankzij hun praktische vernuft door een ramp heen weten te slaan. Jager heeft uniek materiaal opgedoken, waardoor ze een meeslepende geschiedenis vertelt, die leest als een roman.

Een van de hoofdpersonen in haar boek is Moritz Mohr, die sinds 1905 als hoofdingenieur op een elektriciteitscentrale in Sint-Petersburg werkt en er het voorzitterschap van de Hollandsche Club op zich neemt. In die in 1914 tot Petrograd omgedoopte stad maakt hij de revolutie mee. Zo ziet hij in november 1917 hoe bolsjewistische soldaten tsaristische cadetten uit de ramen van een telefooncentrale gooien, waarna het gepeupel op straat een van die jongens aan stukken scheurt.

In een brief aan minister van Buitenlandse Zaken Loudon noemt waarnemend gezant Willem Oudendijk het nieuwe regime onwettig en op willekeur en geweld gebaseerd. ‘We zitten in een gekkenhuis dat aan het branden is geraakt. Het Russische volk heeft zich van een zijde leren kennen, welke noch de Russen, noch de hier lang gevestigde buitenlanders ooit vermoedden: het zijn beesten. Gelukkig paren zij hun grote beestachtigheid tevens aan een grote dosis inertie.’

Opvallend is ook hoe goed de Nederlanders beseffen waartoe het nieuwe regime zal leiden: tot ‘onrechtvaardigheid, gemeenheid en bruut geweld’, zoals Mohr aan zijn moeder schrijft.

Nederland zal de nieuwe Sovjetstaat pas in 1942 erkennen. Hierdoor beschouwen de bolsjewieken de Nederlanders in revolutionair Rusland als vijanden. Oudendijks positie wordt dan ook al gauw onhoudbaar. Toch probeert de gezant zolang mogelijk de Nederlandse financiële belangen in Rusland, van bijna een miljard euro, te beschermen. Maar uiteindelijk mag het niet baten en verliezen de Nederlanders hun banktegoeden, goudvoorraden, bedrijven en winkels, en kunnen ze ineens geen voedsel meer kopen.

Als Oudendijk in november 1918 zijn diplomatieke missie overdraagt aan de Zwitsers en hij samen met zijn meeste diplomaten Rusland verlaat, richten leden van het Comité tot Behartiging der Nederlandsche Belangen een ‘onechte legatie’ op, die door de vertrokken diplomaten van stempels, zegels en briefpapier is voorzien. Den Haag erkent de legatie, omdat er voor de Nederlanders nog altijd paspoorten moeten worden verlengd of vernieuwd. Bij dit deel van Jagers boek verbleekt Soldaat van Oranje.

Vrolijke Paustovski

Dat jongensboekachtige blijkt ook uit de memoires van de humoristische schrijfster Teffi (1872-1952), die tot de revolutie in Rusland een gevierd auteur was. Het is dan ook te prijzen dat haar Herinneringen. Van Moskou naar de Zwarte Zee – 1919 eindelijk vertaald is.

Teffi (pseudoniem van Nadezjda Lochvitskaja) is een soort vrolijke Paustovski. Zelfs onder de moeilijkste omstandigheden overheerst in haar proza haar lichtheid, die het een grote kracht verleent. Als ze in 1919 met een paar vrienden Moskou ontvlucht, doet ze dat met pijn in het hart, al gaat ze er, net als de Nederlanders in Petrograd, van uit dat de bolsjewieken het niet lang zullen uitzingen. Tijdens die vlucht wordt ze diverse keren aangehouden, maar haar reputatie voorkomt haar daadwerkelijke arrestatie. Wel dwingt een lokale kunstcommissaris haar onderweg om samen met haar vrienden een toneelstuk voor het ‘dorpsproletariaat’ op te voeren. Ineens zit ze alsnog in de val en regent het executies om haar heen. Als ze kort hierna in het door de Duitsers bezette Oekraïne arriveert, is het daar niet veel beter. Toch pakt ze in Kiev, waar ‘tout Moscou et Petersbourg’ is gestrand, haar journalistieke pen op, totdat de krant waarvoor ze schrijft wordt gesloten door Oekraïense nationalisten. Ze vlucht verder naar de Zwarte-Zeekust, waar ze in 1919 de boot naar Constantinopel neemt.

Naarmate Teffi steeds meer wreedheden om zich heen ziet, wordt ze somberder. Als symbool voor haar neergaande humeur voert ze een zeehondenbontjas op, die voor ‘een heel tijdperk van het vrouwelijke vluchtelingenleven’ staat. In Kiev en Odessa is die jas als nieuw, in Novorossijsk, waar ze scheep gaat, vertoont hij kale plekken. In Constantinopel heeft hij een besmeurde kraag en gekeerde manchetten. Mooier kun je de ondergang van het ancien régime niet neerzetten.