‘Gedicht, vertel me een verhaal’ - de Verweylezing van dichter Alfred Schaffer

Alfred Schaffer vervulde in het najaar van 2017 het Gastschrijverschap aan de Universiteit Leiden. Dat sloot hij af met de Albert Verwey-lezing. NRC publiceert de lezing in zijn geheel.

Foto NRC

Ik had een aardig rijtje werktitels paraat voor deze lezing:
• ‘Altijd die eigen parochie’ (over poëzie die zegt wat de luisteraar wil horen, of al weet)
• ‘En dat is niet eerlijk’ (vrij naar Calimero, over poëzie die vreemd genoeg in de schaduw staat van het proza)
• ‘Crazy shit, all of the time’ (naar Dorothea Lasky, over de gekte en het vreemde die de poëzie zo avontuurlijk kunnen maken)
• ‘Dichten is net als koken’ (naar Riekus Waskowsky, over het misverstand dat poëzie schrijven of lezen moeilijk zou zijn)
• ‘Platootje, Platootje toch’ (over het misverstand van poëzie en waarheid en waarachtigheid)
• ‘Ik heb zo wa wa wa waanzinnig gedroomd’ (spreekt voor zich)
• ‘Kleurenblind schaken’ (klonk gewoon goed)

Ze zijn allemaal gesneuveld. Wel geven ze aan wat volgens mij van belang is als we het hebben over poëzie in het huidige tijdsgewricht: dat die poëzie doorgaans veel meer kan dan waarvoor ze bij de gemiddelde Nederlander om bekend staat, dat engagement en poëzie heel goed samengaan, en dat poëzie synoniem is met verbeelding, spel en avontuur.

Maar als we het over poëzie gaan hebben, is het noodzakelijk om eerst even de gebruikelijke defensieve houding aan te nemen en wat clichés over de verskunst te spuien – zijn we daar vanaf en kunnen we door.

Want ach, de multimediale wereld die onze aandacht opeist, waardoor we minder en minder lezen, behalve de boeken die in De Wereld Draait Door worden aanbevolen door middel van boekenpanels of diepte-interviews. Liefst geen dichters interviewen of dichtbundels aanbevelen want dan blijven er twee kijkers over – haast allemaal wereldvreemde types, die dichters.

En ach, onze gejaagde levens, waardoor we helemaal geen tijd hebben om te lezen en te analyseren, bij dingen stil te staan, want de vakantie moet gepland, de auto moet gewassen, we moeten Boer Zoekt Vrouw kijken en er moet geld worden verdiend, kortom, we moeten onze laatkapitalistische samenleving aan de gang houden. En boeken lezen, vooral dichtbundels, is nutteloze arbeid, alleen dichters op een podium zijn nog cool.

En dan die poëzie zelf. Wat doet zo’n gedicht toch moeilijk – draai er niet zo om heen, gedicht, zeg gewoon eens wat je bedoelt, laat eens zien waar je staat. En wat is dat dan eigenlijk, poëzie?

Inderdaad is het lastig de poëzie te omschrijven. Gerrit Komrij zei in zijn Albert Verwey-lezing dat poëzie zoiets is als de som van alle gedichten bij elkaar. Volgens de Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog is poëzie op de eerste plaats vooral klank, muziek. Dichter en criticus Piet Gerbrandy heeft het in zijn essay ‘Een spin op de snelweg’ ook over de talige kwaliteit van gedichten: ‘[P]oëzie is niet zomaar een spreken; het is een verhevigd, ingedikt spreken, zoals roken een intensieve vorm van ademen is. Iedere teug, iedere klank telt.’

Daar ben ik het helemaal mee eens, al moet ik direct denken aan gedichten die niet of nauwelijks aan deze kwalificatie voldoen. Zo zijn de volgende regels overduidelijk poëzie: ‘Hoe zij recht staat; dat ik zie / hoe zij dit doet door zo te staan / zoals zij gewoon is: haar voeten / iets uit elkaar, haar armen // neerhangend, haar kin iets omhoog’. Maar ook deze: ‘De kroketten in het restaurant / zijn aan de kleine kant.’ Sterker, met de titel die de Rotterdamse dichter C. B. Vaandrager boven deze twee versregels plaatste (‘Made In Madurodam’), hebben we meteen het complete gedicht te pakken. En ook deze regels, uit ‘Aftrekkelijk’ van BNN-presentator, DWDD-tafelheer en winnaar van ‘Wie Is De Mol 2016’ Tim Hofman, behoren onmiskenbaar tot het domein van de poëzie: ‘Ik val al dagen in slaap met / papier naast mijn bed; / soms leeg of beschreven / maar meestal bevlekt.’

Er is met andere woorden geen peil op te trekken, en dat diffuse en ambigue is wat de gemiddelde, potentiële lezer waarschijnlijk afschrikt. Terwijl die relatieve onbegrensdheid zo aanlokkelijk is. De stelregel van dichter en schrijver Gerrit Krol blijft de beste: bij proza bepaalt de zetter waar een regel eindigt, bij poëzie de dichter. Met andere woorden, de poëzie is een absolute vrijplaats, je kunt doen wat je maar wilt, er is ruimte voor lichtheid, voor het experiment, het ongerijmde en het vertrouwde.

Toch blijft de poëzie worstelen met het stigma dat een gedicht troost zou moeten bieden, een levenswijsheid bevatten, herkenbaar zou moeten zijn voor iedereen. Dat een gedicht vooral niet te lang moet duren – het moet wel leuk blijven, op begrafenissen of in datingprogramma’s. Vandaar dat poëzie zich zo goed leent voor bloemlezen. En gebloemleesd wordt er. Aan titels als Gedichten die vrouwen aan het huilen maken, Gedichten die mannen aan het huilen maken of Seks. De daad in 69 gedichten is te zien dat gedichten zich liefst laten lezen aan de hand van een zekere functionaliteit.

Vanuit de poëzie zelf wordt ook niet bepaald meegewerkt aan een ander, vrijer en vrijgevochten beeld van wat de dichtkunst óók kan zijn. Zo begint de Canadese zakenman en filantroop Scott Griffin, oprichter van de belangrijke en lucratieve Griffin Poetry Prize, zijn TEDx Talk uit 2013 als volgt:

So why poetry? Poetry is the essence of language, and language is the mirror of the soul. Poetry is able to deliver with just a few lines, the full range of human experience. That of course is the art of poetry, and why it is so difficult to write well.

Griffin beleeft vooral plezier aan het reciteren, aan het luisteren naar gedichten, en in zijn latere leven als reizende zakenman merkt hij dat poëzie ‘everywhere else in the world’ lijkt te floreren, onder andere door dichters die voor een publiek hun gedichten voordragen in de VS, Oost-Europa, Latijns Amerika. Maar niet in Canada.

‘We all need to read poetry,’ zegt Griffin, en een gedicht uit het hoofd leren en voordragen is de beste manier om de betekenis te doorgronden. Je kunt het moeilijk met hem oneens zijn, en toch zorgen dergelijke uitspraken voor een verregaande wereldvreemdheid van poëzie: blijkbaar moeten we allemaal poëzie lezen, omdat het ons iets leert over humaniteit, poëzie maakt ons humaan. De aanname is dat poëzie schoonheid is, het goede, het redelijke. Waarom dat zo is, wordt niet uitgelegd. Waarschijnlijk omdat zo’n uitleg onmogelijk is.

En dat terwijl poëzie kan stinken, knoeien, verontrusten, onderzoeken, schofferen, polariseren. En hoe frustrerend is het om, terwijl je als argeloze lezer toch al zo’n moeite hebt met het doorgronden van een vers, te moeten horen dat poëzie in wezen een afspiegeling is van nota bene de ziel. Niet alleen heb je in een dergelijk geval geen toegang tot het bewuste gedicht, maar blijkbaar ook niet tot jezelf, mocht je poëzie al koppelen aan het goddelijke, of geloven in een ziel.

Ja, de regel ‘daardie klip, daardie klip, toegedraai in lakens’ van de Afrikaanse dichter Charl-Pierre Naudé, vat ik al jaren op als een mantra, maar zo bezien heb ik in mijn leven evenveel gehad aan mantra’s als ‘Pas op Abel! Achter je’, ‘Wil je nog steeds naar de kunstacademie’, ‘Laat de bal het werk doen, James!’ of ‘Kun je over een uurtje terugbellen, ik zit midden in een traumatische ervaring’, allemaal van de absurdistische cartoonist Gummbah.

Aan het essay Waarom we poëzie haten uit 2016 van de Amerikaanse dichter Ben Lerner ligt een soortgelijk misverstand ten grondslag. Of preciezer, Lerner schetst waarom de poëzie en de dichters en lezers door de eeuwen heen met zichzelf zijn blijven worstelen:

[P]oëzie komt voort uit het verlangen om voorbij het eindige en het tijdelijke te komen – voorbij de mensenwereld van geweld en verdeeldheid – en om het transcendente of goddelijke te bereiken. Je voelt de aandrang een gedicht te schrijven, je voelt je geroepen om te zingen, vanwege de transcendente impuls. Maar zodra je overgaat van die impuls naar het feitelijke gedicht stuit het lied van het onbegrensde op de beperkingen van de taal. […] Daardoor is de dichter een tragische figuur. Het gedicht is altijd het verslag van een mislukking.

Poëzie opgevat als een glimp van het sublieme, het transcendente, het goddelijke, het onbereikbare, het ware, en ga zo maar door. Dat weten we nu wel, de feilbaarheid van de taal en van de menselijke communicatie. De tragiek van de dichter! Met die instelling is de poëzie gedoemd te mislukken of minstens altijd tekort te schieten. En niet alleen de poëzie.

Terwijl het daar niet om hoeft te gaan. De lat hoeft niet per se lager te worden gelegd, die lat is in wezen irrelevant. Misschien heeft het met de ijdele neiging te maken dat de dichter iets zou willen schrijven voor de eeuwigheid, tegen de vergankelijkheid in. Maar zoiets is nagenoeg onmogelijk. De Amerikaanse hoogleraar en poëziekenner Harold Bloom zal met zijn visie op de Westerse canon in het achterhoofd opperen dat Shakespeare, Dante Alighieri of Walt Whitman wel degelijk eeuwigheidswaarde hebben, maar zijn blik is wel erg wit en beperkt. En was het niet John Keating, vertolkt door Robin Williams, die in Dead Poets Society aan zijn nieuwe leerlingen duidelijk maakte dat wij allen voedsel voor de wormen zijn door, staand voor oude, vergeelde klassenfoto’s, te fluisteren ‘Carpe… carpe… carpe… diem’.

*

Poëzie kan midden in de wereld staan, politiek commentaar leveren, de maatschappij verbeelden en nieuwe, ongerijmde werelden creëren. Kijken we naar de poëzie van de laatste pakweg 20 jaar, dan lijkt het of het met de hang naar het onsterfelijke, het universele en het sublieme wel zo’n beetje gedaan is. Door alle concurrentie en afleiding is literatuur het allerhoogste niet meer en dat heeft haar goed gedaan; wat je ook probeert, uiteindelijk dateert je werk, grotendeels dan toch. In elk geval is er geen enkel zicht op wat zal overleven en wat niet. Poëzie die deze opvatting aanhangt kan méér dan streven naar herkenning, troost en schoonheid.

In Nederland hangt er een vreemde spruitjeslucht rondom het begrip ‘engagement’, alsof engagement hetzelfde zou zijn als humorloosheid, de ander de les lezen, eendimensionaliteit. Terwijl engagement iets heel anders betekent. Je laat zien dat je niet zozeer schrijft over een gemeenschap, maar vanuit de gemeenschap. Je laat zien dat je niet alleen schrijft over je particuliere aangelegenheden, maar over je persoonlijke aanwezigheid binnen de context van de maatschappelijke, historische, religieuze, politieke ruimte; een insteek die volkomen aanvaardbaar is in proza (zie moderne klassiekers als Knielen op een bed violen, Bonita Avenue, Het verdriet van België of De ontdekking van de hemel, of recentere voorbeelden als Ivanov, De consequenties, Wormen en engelen, Het tegenovergestelde van een mens of Klont), maar in poëzie geassocieerd wordt met vlak pamflettisme en activisme, misschien wel door de onbewuste connectie met dat vermaledijde sublieme.

Het werk van een dichter als H.H. ter Balkt laat zien dat in poëzie iets als betrokkenheid of engagement ver af staat van de Zendtijd voor politieke partijen. De crux ligt hem in de taalbehandeling. Ter Balkt schrijft niet zomaar ‘over’ een onderwerp, ‘over’ het vluchtelingenvraagstuk, ‘over’ de vernietiging van het landschap. Dat zou te eenvoudig zijn, en blijk geven van preken voor eigen parochie – u vind dit erg, en ik vind dit ook echt héél erg, volgende gedicht. Over de poëzie van de grote Australische dichter Les Murray schreef ik eens dat ik weinig dichters ken ‘die zo krachtig over of naar aanleiding van concrete onderwerpen dichten, en tegelijkertijd zulke ongrijpbare gedichten schrijven, een ‘poëtische’ waarheid benaderen. Zijn gedichten zijn van taal gemaakt, maar vooral ook van praktische zaken als thema’s, invalshoeken.’ Hetzelfde zie je bij Ter Balkt terug, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Ode aan de man uit Togo’ uit de bundel Vuur uit 2008:

Elfstedentocht warrelt over het scherm – als rook
Mag houtrook de zwaluw zijn onder de rookvogels,
Perzisch glijden de Elfstedenrijders over het ijs,
als de neerslaande rook uit oude ijzergieterijen!

Snelheid is nu alles, en snel ijlt de rook voorbij,
maar ‘Ik sta op de rivier’, zegt de man uit Togo,
staand op het kanaal, ‘En daar is mijn huis’, zegt hij
wijzend op de splinterbarakken haast buiten beeld.

Vrolijke zon schittert in zijn hoofd; op schaatsen
achter zijn stoel lacht hij naar de koude camera.
‘Ik zou tol moeten heffen, voor mijn huis en rivier!’
De pijlsnelle Elfstedenrook rent echter westwaarts.

Dit is niet alleen een empathisch gedicht, het toont ook dat bekende poëtische kwaliteiten als muzikaliteit, meerduidigheid en compactheid samen kunnen gaan met zoiets als een standpunt. Het gedicht legt niet uit hoe onmenswaardig vluchtelingen uit Afrika worden behandeld, hoe gemarginaliseerd ze zijn in Nederland, hoe zeer ze buiten de boot vallen en hoe ze tot die onbekende Ander blijven behoren – nee, het gedicht laat het zien, door de taal, de toe-eigening van de dichter, door de man zelf aan het woord te laten en werelden op elkaar te laten botsen; de dichter laat de beelden het werk doen. Hij schetst de Elfstedentocht van een afstand, er wordt namelijk televisie gekeken, dus ook de ik die registreert is niet meer dan een toeschouwer. De koude snelheid van de tv-wereld en het vluchtige, persoonlijke verhaal worden gecontrasteerd met het enthousiaste pogen van de geïnterviewde man, die zo zijn best doet er bij te horen, aan te sluiten bij die nieuwe en vreemde maatschappij. De man uit Togo lacht, maar de wereld lacht niet met hem mee; dat maakt zijn situatie schrijnend en uitzichtloos. Het is een en al beeld: de rookvogels, de schaatsers die Perzisch voorbij komen glijden, de splinterbarakken en de man, stuntelig achter zijn stoel op het ijs. De beelden, plus het weglaten van een expliciet oordelend subject, zorgen voor een narratief, een verhaal dat aansluit op het hier en nu, niet op het zogenaamde ‘transcendente of goddelijke’, eigenlijk een andere term voor ‘het egocentrische’.

Ter Balkt heeft rake dingen gezegd over de maatschappelijke rol van poëzie. In een gesprek dat ik met hem had in 2005 voor het tijdschrift Bunker Hill zei hij onder meer: ‘Poëzie is hoe dan ook beweging, het is hoe dan ook geest. Het zit erín. Poëzie is geen dooie materie, […] een gedicht is geen ding – ik kan het niet bewijzen maar een gedicht is géén ding.’
Uitgesproken was hij over het belang van de dichter en de poëzie:

Ik geloof niet in cement, ik geloof niet in slimmigheidjes. Wel in poëzie die op zoek is, die niet zelfvoldaan bij haar volgepakte pakken neerzit. Een dichter moet niet alleen brullen over zichzelf, maar ook over de wereld. […] Ik geloof werkelijk dat poëzie iets teweeg kan brengen, dat het mensen op de been kan brengen in tijden van nood. Zonder dat geloof is er niets.

*

‘Zonder dat geloof is er niets.’ De Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog zal de uitspraak van Ter Balkt waarschijnlijk beamen. Bij haar is engagement geen vreemd begrip maar eigen aan wat een dichter moet doen, en aan de positie die haar taal, het Afrikaans, inneemt binnen de meertalige, multiculturele Zuid-Afrikaanse gemeenschap met in totaal 11 officiële talen. Bij Krog gaan het persoonlijke, het maatschappelijke en het politieke naadloos in elkaar over. Geen streven naar het eeuwige of sublieme, maar naar dat wat mogelijk kan verbinden binnen een door taal verdeeld land. Door een uitgesproken woede en betrokkenheid bij de medemens, in een taal die zo lang symbool stond voor ongelijkheid en rassenscheiding.

Net als Ter Balkt kiest ook Krog voor de bezieling en toe-eigening, bijvoorbeeld in gedichten uit de bundel Kleur kom nooit alleen nie (2000), die het zwarte leed van anonieme sprekers in een krottenwijk in de twintigste eeuw moeten verbeelden, gedichten die op hun beurt gebaseerd zijn op getuigenissen die Krog optekende voor haar boek over de Waarheids- en Verzoeningscommissie, Country of My Skull (1998):

9
op die trappe by die voordeur sit my seun
hy hou sy pa se kop in sy hande
hulle is albei vol bloed
hy skreeu oor en oor
‘Pappa praat met my!’
vandag is hy 21 jaar oud
ek word nog snags wakker
as hy skree: vee af die bloed
vee af die bloed van my pa se gesig af

Krog is niet naïef; ze weet dat, zeker in tijden van dekolonisatie, groeperingen tegenover elkaar kunnen komen te staan ondanks goede bedoelingen, en dat alleen medemenselijkheid de wereld niet zal redden. Maar diezelfde medemenselijkheid is een begin en het begint voor Krog in de poëzie en in de taal, bij het zoeken naar verbinding, met het Afrikaanse filosofische concept ‘Ubuntu’ als kompas, wat zoiets betekent als: mijn menselijkheid is onlosmakelijk verbonden met die van jou.

De dichtbundel Mede-wete (2014) ontstond na een impasse. Daarover zegt Krog:

Ik wist even niet meer hoe ik ons complexe, onbekende land anders kon benaderen of beschrijven dan door grondig prozaïsch onderzoek. Maar dit impliceert ook dat de dichter een probleem heeft: als ik niet in staat ben om mijn wereld te verwoorden, dan is er fundamenteel iets vals, on-authentieks in wat ik te zeggen heb.

Het is geen optie dat Krog zich als dichter níet uitspreekt over de socio-economische en politieke situatie van haar land. Bovendien werd ze, zo liet ze weten in een interview, aan het denken gezet door een opmerking van uitgerekend een Nederlandse recensent over haar werk, tijdens een bespreking van de vertaling van Kleur kom nooit alleen nie in het televisieprogramma Zeeman met Boeken:

Toen mijn bundel Kleur kom nooit alleen nie bij een tv-programma van Michaël Zeeman besproken werd, stelde een van de aanwezigen mijn gebruik van het woord ‘medemenslik’ aan de orde. Hij zei dat het een cliché was en niet meer gebruikt werd in de Nederlandse dichtkunst. Aanvankelijk dacht ik dat men zich moest afvragen wat er met een taal aan de hand is als zo’n belangrijk concept betekenisloos is geworden, maar uiteindelijk wilde ik vooral dit: een manier vinden om dit woord te onderzoeken, het hoorbaar en “betekenisgloeiend” te maken.

De bundel Mede-wete is één grote zoektocht naar de ander, de medemens, zonder de complicaties van die zoektocht uit het oog te verliezen want, zegt Krog: ‘Ik ben een dader. De taal waarin onmenselijke daden werden gepleegd was in wezen de mijne.’ En ook:

Ik denk dat dit een internationale kwestie is: degenen die gewonnen hebben door een onrechtvaardig verleden willen misschien, zoals ik, een hand uitsteken, maar de onrechtvaardigheid is zó groot, dat zo’n eenvoudig gebaar erdoor verdampt.

De taal ‘hermenselijken’ wordt zo een levenstaak en juist de poëzie leent zich hier uitermate goed voor, met haar elliptische, fragmentarische en niettemin narratieve kwaliteiten. In poëzie kan de taal het werk doen, in proza bestaat de valkuil van het larmoyante exposé. In Mede-wete worden verhalen verteld over de patriarch, de kleinkinderen, over de stinkende, bacteriële medemens in een overvolle stadsbus, maar gaandeweg wordt de taal geproblematiseerd, en verbrokkelt die taal al hoe meer, het Afrikaans wordt geweld aangedaan, waardoor ze ook niet meer goed te vertalen is. De basis van die verbrokkeling is onmacht en ongemak, de poging om in taal ‘de Ander’ te worden. In het non-fictie boek Begging to be Black (2009) schrijft Krog:

In een land waar we afkomstig zijn van verschillende beschavingen, waar we vervolgens apart leefden in ongelijke en verstoorde betrekkingen, waar hele generaties door zijn gevormd, is onze verbeelding domweg niet in staat om een werkelijkheid als – of met – de ander voor te stellen.

Er schuilt veel frustratie in deze uitspraak. En er zijn meer voorbeelden, juist in een land als Zuid-Afrika. De jonge Koleka Putuma dicht in haar debuut Collective Amnesia over uitgesproken maatschappelijke en politieke problemen, vanuit een persoonlijk standpunt. Geen spoor van ironie op de flaptekst van haar meerdere malen herdrukte debuut van 2017:

Koleka Putuma’s exploration of blackness, womxnhood and history in Collective Amnesia is fearless and unwavering. Her incendiary poems demand justice, insist on visibility and offer healing. In them, Putuma explores the idea of authority in various spaces – academia, religion, politics, relationships – to ask what has been learnt and what must be unlearnt. Through grief and memory, pain and joy, sex and self-care, Collective Amnesia is a powerful appraisal, reminder and revelation of all that has been forgotten and ignored, both in South African society, and within ourselves.

Putuma’s poëzie is een vergaarbak van invalshoeken, beelden, vormen, stellingen – een kruising tussen gedicht en essay. Ze maakt de Zuid-Afrikaanse geschiedenis persoonlijk en ze is activistisch, maar haar werk is ook meerduidig, hybride. Dan eens spreekt ze zichzelf toe, als zwarte vrouw; en dan weer richt ze zich tot de witte lezer of toehoorder. ‘Moeilijk’, ‘subliem’, ‘transcendent’ of ‘voor de eeuwigheid’ kun je deze gedichten niet noemen, daarvoor is het verhaal dat Putuma vertelt te urgent, zoals in ‘Local’, dat als volgt begint:

My mother tongue
sits in my throat like an allergy
It feels like I will die if I speak it
It feels like I will die if I don’t

Wat is de taal van de zwarte dichter in de postkolonie, vooral als die dichter een vrouw is? Is ze de baas over haar taal, of is de taal de baas over haar? En wat wordt er van haar verwacht? Moet een zwarte dichteres zich uitlaten over onrecht en te boek staan als radicaal, of mag ze ook dichten over nagellak, met het risico haar ‘roeping’ niet serieus te nemen? Want wat het vrouwelijke zwarte subject ook onderneemt, ze bokst op tegen het verwachtingspatroon van het witte lezerspubliek (dat maar wat graag vooruitstrevend is en naar een zwarte dichteres luistert, zo lang het niet ongemakkelijk wordt), én dat van het zwarte mannelijke publiek (dat maar wat graag vooruitstrevend is en naar een zwarte ‘sister’ luistert, zo lang het niet ongemakkelijk wordt). Putuma zegt daarover:

What I feel that many people don’t get is that you can write a poem about cheesecake and have it be incredibly profound in the same way that you can write a poem about the ruling political party in South Africa, the African National Congress, and realize that the poem is quite shallow and meaningless.

Voor Putuma begint engagement daarom bij het centraal stellen en problematiseren van de taal – de onderwerpen volgt vanzelf – want ook een gedicht dat uitgesproken politiek is, is in de eerste plaats een taalkundig, en daarmee meerduidig bouwwerk, dat ook grandioos kan mislukken, al handelt het over nobele zaken.
De afzonderlijke gedichten in Collective Amnesia vormen samen een verhaal waarmee je zelf aan de slag moet; er wordt van jou als poëzielezer gevraagd om mee te denken, de metaforen te duiden en de gaten te vullen. Het meedenken wordt een politieke daad, je engageert je als lezer vanzelf met de tekst, omdat die tekst pas afgerond wordt door de inzet van het lezen en begrijpen – wat iets anders is dan weten. Zo laat ook uitgesproken, verhalende poëzie zien dat de vorm, en dus niet alleen de inhoud, bijdraagt tot de uitkomst van een gedicht. Voor zowel de lezer als de dichter is het gedicht een ontmoetingsplek, een niet-weten, een laboratorium. Geen wonder dat slechts een handjevol mensen naar poëzie grijpt, maar wie dat wel doet ervaart het hoge soortgelijke gewicht van taal en haar meerduidigheid, juist als het gaat om maatschappelijke, politieke of anderszins geëngageerde poëzie. De zogenaamde ‘vervuiling’ die optreedt als het gedicht in aanraking komt met het persoonlijke is noodzakelijk, willen poëzie, en kunst in het algemeen, in ons huidige tijdsgewricht nog iets te zeggen hebben. Schrijft Putuma over haar gemeenschap? Nee, ze is haar gemeenschap, en dat maakt haar stem genuanceerd en persoonlijk.

De Afrikaanse Ronelda S. Kamfer vertelt een verhaal dat hard aankomt omdat het zo helder en terloops wordt gebracht. Ook bij Kamfer die vanzelfsprekende mix van politiek, gemeenschap en de persoonlijke ruimte, en het vrouwelijke, zwarte lichaam als de verbeelding van kracht en kwetsbaarheid. Ook bij Kamfer is de vorm van groot belang, en zit de betrokkenheid verankerd in de taal. Kamfer kiest als dichteres van kleur voor de taal van haar gemeenschap, het Kaaps, een variant van het zogenaamde standaard Afrikaans. Hoewel Kamfer vooral gelezen wordt door een wit, Afrikaanstalig lezerspubliek, weigert ze zich aan dat publiek te conformeren. Het wordt de taal van het intieme, maar ook de taal van verzet, woede en rouw. En met de nodige sardonische humor, want wie vanuit een gemeenschap schrijft, ziet de tegenstrijdigheden en eigenaardigheden.

Kamfer moet zich teweerstellen tegen het feit dat haar poëzie gekaapt wordt omdat haar identiteit door anderen wordt geframed: jij bent gekleurd, of zwart, dus jij dicht over armoede, drank- en drugsgebruik, geweld en racisme. De dichter in kwestie moet zich verzetten tegen dergelijk reductionisme, en Kamfer thematiseert die ambivalentie in het gedicht ‘ik zoek een gouden sterretje’ uit de bundel Nu de slapende honden (2010):

ik zoek een gouden sterretje
een aai over m’n bol om mijn waardigheid te benadrukken
en daarna zoek ik een held die mij de weg kan wijzen
want wie dyslectisch is kan geen kaart lezen

en als ik dan de hoofdrol heb
ga ik terug naar de boerderij

een boerenkind is als een geitenbok
kent maar één niveau

en dan klim ik op een leeg bierkrat
en vertel de mensen over de wereld daarbuiten

terwijl ik zo sta te preken zal een stinkende straalbezopen vent
me voor Gods aangezicht uitschelden en zeggen je bent maar een hottentot
met een gouden sterretje op je voorhoofd

blijf met je achterlijke gedichten uit onze buurt
vertel die zielige verzinsels van je maar aan de mensen
die de dienst uitmaken
je ruikt in elk geval al net als zij

Hier wordt het dilemma van de buitenstaander verbeeld: ik hoor niet bij het publiek waarvoor ik schrijf, tenzij ik mij gedraag zoals men mij wil zien – de dankbare, onderdanige dichter die het geschopt heeft tot de elite – maar ik blijf de dyslectische dichter. En keer ik terug naar mijn eigen gemeenschap, dan hoor ik dáár niet meer bij, omdat ik die gemeenschap verraden heb in mijn hang naar erkenning.

De Amerikaanse Claudia Rankin lijkt in haar dichtbundel Citizen. An American Lyric (2015) dan weer zo murw geslagen dat de taal vooral registreert en niet meer protesteert. Achter elkaar beuken de anekdotes over dagelijkse microagressie in de Verenigde Staten ten opzichten van een zwarte, hoogopgeleide vrouw, op je in. Is dit nog poëzie, of is dit gewoon proza? Het is poëzie omdat het boek een lyriek wordt genoemd – dat er niets meer te zingen valt, dat er geen traditionele ‘schoonheid’ te ontdekken is, wordt duidelijk als je gaat lezen:

The new therapist specializes in trauma counseling. You have only ever spoken on the phone. Her house has a side gate that leads to a back entrance she uses for patients. You walk down a path bordered on both sides with deer grass and rosemary to the gate, which turns out to be locked.

At the front door the bell is a small round disc that you press firmly. When the door finally opens, the woman standing there yells, at the top of her lungs, Get away from my house! What are you doing in my yard?

It’s as if a wounded Doberman pinscher or a German shepherd has gained the power of speech. And though you back up a few steps, you manage to tell her you have an appointment. You have an appointment? she spits back. Then she pauses. Everything pauses. Oh, she says, followed by, oh, yes, that’s right. I am sorry.

I am so sorry, so, so sorry.

Door het monotone, precieze verslag zijn deze gedichten in staat om onze blik op de wereld te veranderen. Niet alleen omdat we door de verhulde ik zelf worden aangesproken, maar omdat we de context zelf moeten invullen, de elliptische gaten moeten dichten. In een paar eerdere versies van de gedichten in Citizen staat het woordje ‘black’ als bijvoeglijk naamwoord. In de uiteindelijke versie is het woord op meerdere plekken verdwenen. Zo wordt de lezer gedwongen de context zelf te herkennen, zelf te zien en te snappen wat zich in deze gedichten afspeelt, zonder dat het wordt voorgekauwd.

De Canadese Anne Carson, als laatste voorbeeld, is wat mij betreft een van de meest uitdagende dichters van de laatste jaren. Dialoog, proza, raadsels, essays, alles loopt bij haar door elkaar en alles is uiteindelijk poëzie. Het is poëzie vanwege de elliptische kwaliteit – ook hier moet de lezer veel werk verrichten om de sprekende fragmenten te koppelen aan elkaar. In haar meesterwerk Autobiography of Red (1999) wordt een eenvoudig gegeven nieuw leven ingeblazen. In de Griekse mythologie is Geryones een monster. Ook is hij beschreven als een reus met drie lijven, of drie hoofden. In verschillende versies wordt hij gekoppeld aan Herakles, die Geryones doodt. Anne Carson trekt de mythe naar zich toe, speelt met de voorgeschiedenis van de verschillende versies die in omloop zijn, en vertelt haar verhaal van ‘Geryon’ die zowel kind en jongeman is, als een gevleugeld, rood monster. Mythe en huidige tijd lopen door elkaar, de tekst staat vol anachronismen en lyrische aforismen, zomaar als goudklompjes in de gedichten verstopt, zoals ‘Facts are bigger in the dark’. Uit de fragmenten van Geryons leven, die samenwoont met zijn moeder en oudere broer, ontstaat een hybride verhaal van een onzekere, opgroeiende schooljongen. En dan ontmoet Geryon Herakles:
Somehow Geryon made it to adolescence.

Then he met Herakles and the kingdoms of his life all shifted down a few notches.
They were two superior eels
at the bottom of the tank and they recognized each other like italics.
Geryon was going into the Bus Depot
one Friday night about three a.m. to get change to call home. Herakles stepped off
the bus from New Mexico and Geryon
came fast around the corner of the platform and there it was one of those moments
that is the opposite of blindness.
The world poured back and forth between their eyes once or twice. Other people
wishing to disembark the bus from New Mexico
were jamming up behind Herakles who had stopped on the bottom step
with his suitcase in one hand
trying to tuck in his shirt with the other. Do you have change for a dollar?
Geryon heard Geryon say.
No. Herakles stared straight at Geryon. But I’ll give you a quarter for free.
Why would you do that?
I believe in being gracious. Some hours later they were down
at the railroad tracks
standing close together by the switch lights. The huge night moved overhead
scattering drops of itself.
You’re cold, said Herakles suddenly, your hands are cold. Here.
He put Geryon’s hands inside his shirt.

Dit, dit kan alleen de poëzie. Die open plekken in de tekst, die sprankelende, achteloze vergelijkingen die allereerst naar de taal zelf terugverwijzen. Als dit zo in proza zou staan, zouden we het ook poëzie noemen. Poëzie is niet alleen compact en veel wit, dat is het ook nooit uitsluitend geweest – het lijkt een open deur, maar die deur staat alleen open voor beoefenaars en lezers van het genre.

Carson laat zien dat je de wereld niet hoeft na te bootsen: met poëzie kun je ook een wereld maken, een alternatieve of parallelle wereld. De dichter is geen souffleur, maar staat samen met de lezer voor de meerduidigheid en vraagstukken die de tekst opwerpt.

*

Dit is uiteraard geen voorschrift, en gelukkig ook. Leve de diversiteit! Maar het is een misverstand dat gedichten niet méér kunnen dan kortstondig een gangbare, burgerlijke herkenning oproepen, of een eigen parochie toespreken, niet méér kunnen dan zich bekommeren over het onzegbare, ‘voorbij de mensenwereld van geweld en verdeeldheid’. Poëzie hoeft niets, de dichter hoeft niets – laat dat duidelijk zijn. Maar de dichter kan veel en veel meer dan hij of zij doorgaans doet, namelijk: engageren, onderzoeken en uitdagen door middel van het persoonlijke – niet het particuliere –, en met het beeld, de vorm en vooral het fragment als belangrijkste bestanddelen. Dat maakt een gedicht allicht minder behapbaar dan de gemiddelde roman, die zo dikwijls netjes begint met een beschrijving van het weer. Wellicht dat het schrijven van literaire teksten door kunstmatige intelligentie zal worden overgenomen, al vraag ik me af of het avontuurlijke, het onbegrijpelijke, ooit door kunstmatig leven begrepen kan worden.

Als we van poëzie niet verwachten dat we er de eeuwige roem en de onsterfelijkheid mee moeten bereiken, de ziel of het sublieme, maar ons concentreren op het hier en nu, het grillige, problematische, onrechtvaardige en onbegrensde van ons hier en nu, dan kunnen we zeggen dat het verdicht is en verteld, en niet onopgemerkt gebleven.