‘Er is een hele generatie uitgeroeid’

Ethiopië

In Den Haag staat Eshetu A. terecht. Hij wordt verdacht van gruwelijke misdaden in een gevangeniskamp. Maar hij ontkent betrokkenheid.

Eshetu A. met zijn advocaat Frank Stoffels (rechts). Links officier van justitie Nicole Vogelenzang. ANP / Aloys Oosterwijk

Op de eerste dag van zijn rechtszaak wordt Eshetu A. (63) binnengeleid door drie agenten. Hij is klein, breedgeschouderd, en heeft een scherpe blik in zijn ogen.

Na jaren van onderzoek begon deze week eindelijk het proces tegen de voormalige luitenant-assistent van het Ethiopische leger, die nu al bijna twintig jaar Nederlands staatsburger is.

Eshetu A. zou in 1978 als leider van de Ethiopische provincie Gojjam gruwelijke misdaden hebben aangestuurd in een gevangeniskamp. Marteling, standrechtelijke executies en het naar willekeur gevangen zetten van politieke tegenstanders zijn hem ten laste gelegd. Maar, zegt hij keer op keer: hij is onschuldig.

Nu de eerste week erop zit, is zijn strategie duidelijk: hij toont berouw dat hij deel uit heeft gemaakt van wat achteraf een slecht regime bleek te zijn, maar pleit zichzelf vrij van elke directe verantwoordelijkheid. Hij claimt een zuiver politieke en economische rol te hebben gespeeld en niet geweten te hebben wat er gebeurde – tot frustratie van de zeven aanwezige Ethiopische slachtoffers.

Donderdag confronteerden zij A. met het door hem berokkende leed. Emotioneel vertelden ze over het blijvende letsel, over vermoorde vrienden en familieleden en over de slapeloze nachten – ook nu nog, veertig jaar later. Ze getuigden stuk voor stuk dat Eshetu A. het bewind voerde over het gevangeniskamp waarin zij in 1978 als tieners (sommigen waren pas twaalf) werden vastgezet. De gevangenen werden gemarteld en maanden in ‘donkere kamers’ gezet, waar ze nauwelijks aten en met de voeten aan elkaar vastgeketend zaten.

Altijd een foto

Het waren vooral scholieren, studenten en docenten. Sympathisanten van de in 1972 opgerichte politieke partij EPRP, die om de macht streed tegen de Derg nadat de 225ste en laatste keizer van Ethiopië was afgezet. Die bestuursraad van 120 militairen, onder leiding van de al snel beruchte Mengistu Haile Mariam, voerde eind jaren zeventig de ‘rode terreur’ uit: tienduizenden werden vastgezet en vermoord in naam van het marxisme-leninisme. Eshetu A. was een van de 120 militairen en voerde het bewind in het noordelijke Gojjam, waar het gevangeniskamp was.

In een kerk op het gevangenisterrein zouden in één nacht, in het bijzijn van Eshetu, meer dan tachtig gevangenen gewurgd zijn. Zo ook de broer van Sebene Ademe, een van de aanwezigen in Den Haag. „Ik draag nog altijd een foto van hem bij me, overal”, zei zij donderdag, snikkend. „Hij was zo’n vrijgevige, lieve en knappe man.” Ze had twee foto’s van haar broer meegenomen, die vervolgens rondgingen bij de rechter, de aanwezige advocaten en toen ook Eshetu A. De verdachte keek naar de afbeeldingen en knikte. Toen de rechter hem om een reactie vroeg, richtte Eshetu zich direct tot de slachtoffers en zei op z’n knieën te willen gaan om om vergiffenis te vragen, niet alleen van hen, maar van heel Ethiopië.

Maar, haastte hij zich daaraan toe te voegen, alleen voor „de grootste misdaad: lid te zijn geweest van de Derg”. Niet voor de misdrijven waarvoor hij terechtstaat. „Het is gebeurd, maar ik was niet daar”, zei hij. „Ik heb het niet gedaan. Ik was niet in die gevangenis, ik was niet in die kerk. Nooit, nooit.”

„Het is gebeurd, maar ik was niet daar”, zei hij

Worku Damena Yifru, die zestien was toen hij gevangen werd genomen en zich het kamp nog goed herinnert, weersprak dat Eshetu A. slechts een politieke en economische rol speelde in Gojjam, zoals hij zelf volhoudt. Yifru’s medegevangenen zouden Eshetu bij de moordpartijen in de kerk hebben gezien. Zij hadden zelf de graven gedolven voor de slachtoffers. Plus: „De gevangenis lag aan de voet van het paleis van de verdachte”.

Dodenlijst

Centraal in de zaak staat een ‘dodenlijst’ met de 75 namen van de geëxecuteerden, ook die van de broer van Ademe. Onder de lijst zou de handtekening van Eshetu A. staan. Tijdens een vier uur durend verhoor op maandag vroeg rechter Renckens Eshetu A. naar deze instructies tot ‘revolutionaire maatregelen’ – executiebevelen, volgens de rechter. In behoorlijk goed Nederlands zei de Ethiopiër van niets te weten. Hij en zijn advocaat wezen op verscheidene verschillen tussen de krabbel en zijn échte handtekening.

Het keiharde ontkennen van Eshetu A. leidde tot zichtbare verbazing en frustratie bij de slachtoffers, die meer dan eens opstonden en de rechtszaal verlieten. „Ik ben zo boos en verdrietig”, zei Ademe. „Hij legt niet eens uit hoe het kan dat hij de topman was en van niets wist.”

Als het aan de slachtoffers ligt, krijgt Eshetu A. levenslang. Niet alleen voor het leed dat hij hun heeft berokkend, maar ook als waarschuwing voor andere machthebbers die denken ongestraft te kunnen doen wat ze willen.

„Er is bij ons een hele generatie uitgeroeid”, luidde het door hun advocaat voorgedragen slotpleidooi van een van hen. „Studenten, docenten, slimme mensen. Het nieuwe regime in Ethiopië lijkt hetzelfde te gaan doen als toen. Overal zitten gevangenen en worden mensen vermoord. Dat A. gestraft wordt, moet een les zijn voor het huidige regime.”