Column

Een schrijver die verwarring schept valt juist te prijzen

Als fictie liegen is, is liegen over fictie dan een dubbel liegen of de waarheid spreken? Ooit was het overzichtelijk. De schrijver was een onbetrouwbare schavuit die de hele bliksemse boel bij elkaar verzon in zijn romannetjes. Batavus Droogstoppel laat aan het begin van de Max Havelaar hetzelfde gelden voor de dichters. ‘Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in ’t gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. „De lucht is guur, en ’t is vier uur.” Dit laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is. Maar als ’t kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in ’t gelid zet, zeggen: „de lucht is guur, en ’t is kwartier voor drieën”. De verzenmaker is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist een, twee uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. Zeven en negen is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan ’t knoeien! Of het weêr moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen.’

Toen de schrijvers op een gegeven moment werden ontdekt als hofnarren, die je ook in de media kon laten opdraven als er verder geen belangrijk nieuws was en als je eens flink wilde lachen, werd het gebruikelijk dat schrijvers over hun romannetjes werden geïnterviewd in de krant.

Het idee was dat ze in hun interviews toegaven dat ze alles in hun boeken hadden gelogen en dat ze vertelden dat ze in het echt eigenlijk een meelijwekkend bestaan leidden waarin hoegenaamd niets voorviel.

Maar sommige schrijvers ontdekten de mogelijkheden van het interview als literair en fictief genre. Hugo Claus was hier een grootmeester in. In elk interview verzon hij een nieuwe tragische levensgeschiedenis voor zichzelf. De ene keer was hij de zoon van een Zweedse matroos en een Poolse prinses, de andere keer een vondeling die in een droogkuis was gevonden tussen vuil damesondergoed. Zijn interviews zijn door Mark Schaevers verzameld onder de toepasselijke titel Groepsportret.

Charlotte Mutsaers heeft een roman geschreven waarin ze vertelt dat ze de kinderporno die ze in het huis van haar dode broer aantrof, heeft doorverkocht aan een seksshop in Utrecht. Geen haan die er naar kraaide. Er staan wel raardere dingen in romans.

Maar toen zei ze in een interview precies hetzelfde. Een rel was geboren, want interviews behoren zich anders dan romans aan de waarheid te houden en als het echt was gebeurd, zou het een strafbaar feit betreffen. Maar toen zei Mutsaers dat ze in het interview het boek trouw was gebleven. Ze had in de geest van de fictie gelogen over haar fictie.

Inmiddels heeft de eigenaar van de betreffende seksshop bevestigd dat deze dubbele fictie een leugen behelst en dat hij geen kinderporno heeft ingekocht van de auteur. Ik vraag me af wat hij had gezegd als dat wel zo was, maar enfin.

Elke schrijver die verwarring schept over waarheid en verzinsels, kunnen we alleen maar dankbaar zijn.