Recensie

Deze tijd vraagt om nieuwe mythes

Franse prijzen

Graven in het verleden kenmerkt menige kanshebber voor Franse literaire prijzen. Lees hier over Algerije, vergeten vrouwenlevens en fabulerende biografen.

Algerijnse vrouwen in 1962, ten tijde van het onafhankelijkheidsreferendum. Foto Marc Riboud/Magnum Photos/HH

Op pagina 400 komt Naïma tot een inzicht: ze weet absoluut niets van Algerije. Ze kent alleen de namen van de plekken in Frankrijk waar haar grootouders na hun vlucht uit Algerije zijn opgevangen, de kampen en nieuwbouwwijken waar ze gewoond hebben. Van de tijd die eraan voorafging kent ze alleen het grote zwijgen. Dan begint de zoektocht die we in de eerste 400 bladzijden hebben gelezen.

Die wil tot weten, die dwingende zoektocht naar de voorgeschiedenis – het is het startpunt van veel voor de grote Franse literaire prijzen genomineerde titels. Het gaat niet om een avontuurlijke ontdekkingstocht, het is eerder een zaak van leven en dood.

Naïma is de hoofdpersoon uit L’Art de perdre (‘De kunst van het verliezen’) van Alice Zeniter, van wie eerder de roman Op een zondagochtend verscheen. Haar nieuwe, dikke roman, persoonlijker en breder van opzet, maakt – terecht – grote kans maandag de Prix Goncourt in de wacht te slepen. Onlangs stelde tijdschrift Livres Hebdo het profiel van een Goncourt-winnaar samen: de grootste kanshebbers zijn romans over een oorlog, met een sociologische en/of politieke inslag en een hoog realistisch gehalte, die zich in verschillende tijdperken afspelen. Het enige criterium waaraan Alice Zeniter (1986) niet voldoet is het geslacht.

In haar boek brengt zij knap de geschiedenis van een deel van de Franse bevolking in kaart: van de Franse Algerijnen die na de onafhankelijkheid in 1962 naar Frankrijk vluchtten. Het is een pijnpunt in de geschiedenis, complex en nog onverwerkt, in zekere zin vergelijkbaar met de gewelddadige gebeurtenissen in de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië. Zoals hier romans van Alfred Birney en Adriaan van Dis het debat daarover aanjagen, zo doen Frans-Algerijnse schrijvers dat ook, in actievere mate.

Wat is er gebeurd in de jaren vijftig in Algerije? Waarom kwamen zovele Algerijnen naar Frankrijk en hoe bouwden ze daar een leven op? Zeniter probeert de puzzel te leggen, de hoop, misverstanden en desillusies te vatten. Haar personage Naïma werkt in een Parijse galerie en wordt voor een tentoonstelling naar Algerije gestuurd. Ze zoekt er familie op van wie ze het bestaan niet kende. ‘C’est bon, c’est fait, on rentre’, concludeert ze na afloop, en nu weer naar huis. Het is een andere wereld, die haar weinig zegt. ‘Wat niet wordt doorgegeven, wat niet wordt overgedragen, gaat teloor.’

Ook de succesvolle roman Nos richesses van Adimi Kaouther is een nieuwe literaire stem in het gesprek over Algerije. In haar boek krijgt een student opdracht een beroemde boekhandel in Algiers te sluiten om plaats te maken voor een pizzeria. Het archief wordt gedumpt. En passant laat Kaouther de rijke intellectuele geschiedenis van de boekhandel, ooit toonaangevend, de revue passeren. De student luistert met een half oor naar de verhalen van de boekhandelaar, bladert door de brieven van Camus, Gide en Saint-Exupéry. Hij krijgt er hoofdpijn van. Ook hier wordt er niets bewaard of doorgegeven.

Vergeten vrouwen

Zoeken, speuren, lijken uit de kast halen – dat doen Franse schrijvers ook bij andere onderwerpen. In het tijdperk van de alternatieve feiten en de sociale media-hypes, waar de werkelijkheid soms meer weg heeft van fictie dan de fictie zelf, lijkt de literatuur zijn aandacht te verschuiven naar het serieus onderzoeken van heden en verleden.

Al een paar jaar is, binnen en buiten Frankrijk, de exofiction een trend: fictie geïnspireerd op personen die echt hebben bestaan, of het nu misdadigers, staatsmannen of schrijvers zijn. In een schitterende precieze en licht ironische stijl beschouwt schrijver en cineast Eric Vuillard cruciale momenten die leidden tot de Duitse annexatie van Oostenrijk in 1938. Onvergetelijk is het hoofdstuk waarmee L’ordre du jour begint: 24 grootindustriëlen op audiëntie bij de Führer, klaar om hun portemonnee te trekken.

Maar dit najaar staan vooral vrouwelijke kunstenaars en door de geschiedenis vergeten vrouwen in de spotlights. Zo publiceerden de zussen Anne en Claire Berest Gabriële, een levendig boek over hun overgrootmoeder Gabriële Buffet-Picabia, echtgenote van de schilder Francis Picabia, vriendin van kunstenaar Marcel Duchamp en dichter Guillaume Apollinaire. En in Bakhita reconstrueert Véronique Olmi het leven van de in Soedan geboren Josephine Bakhita, die als meisje werd ontvoerd, naar Europa ontsnapte, zich tot het rooms-katholicisme bekeerde en in 2000 heilig werd verklaard.

Olivia Elkaim volgt het dramatische leven van Jeanne Hébuterne, de vrouw van de Italiaanse kunstenaar Amadeo Modigliani. Camille Laurens verdiept zich in het leven van het meisje dat model stond voor de vele danseressen van schilder en beeldhouwer Edgar Degas.

Twee kanshebbers voor de grote prijzen spelen een losser, fantasievoller spel met het alomtegenwoordige biografische genre: François-Henri Désérable schreef Un certain M. Piekielny, een hilarische roman in de beste Franse traditie, over een personage uit een roman van Romain Gary.

Yannick Haenel (onder meer auteur van Het zwijgen van Jan Karski) laat in Tiens ferme ta couronne zijn verteller helemaal opgaan in een scenario gebaseerd op Melville’s Moby Dick. Als lezer word je meegesleurd in een draaikolk van absurde situaties, vol literaire, filosofische en literaire verwijzingen.

Prikkelen

Vorige week kwalificeerde de Britse criticus Tim Parks de exofiction-trend als ‘een goed soort literair parasitisme’, om vervolgens een nieuwe Engelse roman over het leven van Samuel Beckett tot op de bodem af te breken. ‘We zouden onze grote schrijvers moeten lezen’, concludeerde hij, ‘niet mythologiseren’. Natuurlijk, we moeten Romain Gary lezen, de beelden van Edgar Degas gaan bekijken, ons haasten naar de schilderijen van Francis Picabia. Iedere biografische roman over een schrijver, schilder of componist moet ons prikkelen zijn of haar werk te ontdekken, het gaat om een oeuvre dat de tand des tijds heeft doorstaan.

Onze wereld wordt beheerst door beeld, door razendsnel rondgaande oneliners, meninkjes en instantgevoelens. Veel schrijvers, antennes van de samenleving, reageren, sluiten aan, spelen ermee. De Franse najaarsromans zijn een echo van onze tijd: alles is met alles verbonden, niets staat op zichzelf. De avantgardistische mentor van Gabriële Buffet-Picabia op het conservatorium liet zijn leerlingen niet alleen muziek studeren, ze moesten poëzie lezen, musea en galeries bezoeken, ‘de ramen open zetten naar de andere kunsten’. Precies dat vind je terug in de beste Franse literatuur van nu.

De Prix Goncourt en de Prix Renaudot worden op 6 november bekendgemaakt. Op 8 november volgt de Prix Femina, een dag later de Prix Medicis.