Recensie

De schoonheid van wat eigenlijk onzichtbaar is

Tate Britain eert beeldhouwer Rachel Whiteread (1963) met een overzichtstentoonstelling. Haar oeuvre oogt verstild en eenvormig, maar doordringt je ook van de schoonheid van het ‘ onzichtbare’.

Rachel Whiteread, ‘100 Spaces’, nu te zien in Tate Britain. Foto Andrew Dunkley

Wie Rachel Whiteread associeert met haar leeftijdsgenoten van de Young British Artists (bloedhoofden, een haai op sterk water, bed met condooms en whisky) zal ongetwijfeld verbaasd zijn over haar grote tentoonstelling in Tate Britain. Zo verstild als die is. Zo leeg. En meteen snap je ook waarom Ghost uit 1990 het sleutelwerk uit haar oeuvre is. Whiteread maakte dit beeld door een kleine kamer in een oud Victoriaans huis ‘af te gieten’. Eerst verwijderde ze alle spullen uit de ruimte om vervolgens de wanden, het plafond en de vloer met een dikke laag gips te bedekken. Die gipsplaten gebruikte ze als de mal waarmee ze Ghost vervaardigde: een enorm gipsen blok van grofweg 3 x 3 x 3 dat het volume van de lege kamer verbeeldt. Ghost is een fascinerend beeld, niet alleen omdat het de leegte toont waarvan je je in het dagelijkse leven zelden bewust bent, maar ook omdat het beeld iets van een graftombe heeft: alsof Whiteread de ruimte die leeg lijkt vult met schijnbare aanwezigheid – van het verleden, van mensen die er eerder liepen, die er misschien nog wel aanwezig zijn.

Goeie titel dus, Ghost.

En dat is ook het mooie aan die enorme Tate Britain-zaal: dat je die geest voelt in haar hele werk.

Afgietsels

Geen misverstand, er valt het nodige op Whitereads werk aan te merken. Neem het begin van haar carrière: Whiteread begon aan het einde van de jaren tachtig met het afgieten van de lege ruimte onder een stoel – exact (maar dan ook exact) hetzelfde idee dat Bruce Nauman in 1968 al eens had uitgevoerd. Whiteread heeft nooit een echt goede verklaring voor die dubbeling gegeven, maar gaf haar schatplichtigheid wel ruimhartig toe: in de hal van Tate Britain staat nu de installatie One Hundred Spaces (1995) die bestaat uit maar liefst honderd verschillende stoelafgietsels.

Een ander bezwaar is dat Whiteread zelden méér doet: haar oeuvre bestaat vrijwel volledig uit afgietsels van alledaagse objecten: kamers, deuren, een stuk van een bibliotheek, een kippenhok – de belangrijkste variatie is dat ze dat soms doet in het positief, soms in het negatief. Dat is het wel zo’n beetje.

Tussenwereld

Toch is de expositie zeer de moeite waard – precies door die ‘ghost’ die de expositie heel subtiel domineert. Want wat Whitereads werk interessant maakt is dat ze die alledaagse voorwerpen met uiterste precieze in een ‘tussenwereld’ weet te plaatsen. Dat doet ze niet alleen door af te gieten, maar ook door zachte, kwetsbare of transparante materialen te gebruiken als rubber, gips en hars – materialen die gewoon ruimte innemen, maar zich tegelijk een beetje voor hun eigen aanwezigheid lijken te schamen. Door die bescheiden materialen en de nadruk op ‘onzichtbare’ ruimtes doordringt Whiteread je heel mooi van de ruimte om je heen waar je verder nooit aandacht aan besteedt, maar waarvan je heel goed beseft dat die belangrijk is.

Prachtige paradox

Denk maar aan het gevoel dat er ‘iets’ onder je bed zit, of achter een deur of in een kast, het gevoel kortom, dat er meer is te zien en te voelen dan waar je in het dagelijks leven ruimte voor hebt. Daarmee schept Whiteread in werk eigenlijk een prachtige paradox: ze laat dingen zien die vanuit hun aard altijd ongezien moeten blijven. Dat maakt deze expositie tot een bijzondere gewaarwording: een Tate-zaal vol objecten die eigenlijk onzichtbaar hadden moeten zijn om hun impact écht kenbaar te maken. Dat kan dus niet, maar dat Whiteread het probeert, en glorieus durft te falen, bewijst dat ze een bijzondere kunstenaar is van wie je hoopt dat ze in de toekomst nog nadrukkelijk afwezig durft te worden. Whiteread geeft de geest de ruimte.