Column

De gewone man en de Reformatie

We lijken vijf eeuwen later midden in de Reformatie te zitten.

Foto Roger Cremers

Een lichtshow in Rotterdam, een kerkdienst met koning in Utrecht en Tommy Wieringa op de NOS-site. Dat is de oogst van de Nederlandse Reformatieherdenking deze week. In Duitsland werd je er al een jaar lang mee platgewalst, inclusief playmobielpoppetjes en een bibliotheek van nieuwe lijvige Lutherstudies. Daartegen steekt het Nederlandse landschap luchtiger af. Een Lutherverkiezing, een debat in de Rode Hoed, een kinderfilm (Storm) en wat aardige artikelen, waarin de reformatoren er wat beter vanaf komen dan in voorgaande decennia. Een beetje eerherstel voor de Reformatie?

Wat in ieder geval opvalt, is hoe in de Nederlandse media is getracht Luther en de Reformatie te hertalen voor de mondige burger van nu. Luther wordt dan gezien als voorvechter van de vrije meningsuiting, van tolerantie en zelfs als inspirator van minderhedenbewegingen – met als toppunt die Lutherverkiezing waarbij je op de paus, Ayaan Hirsi Ali of Edward Snowden kon stemmen (geen van hen een protestant).

Wat ik mis in die gezellige Lutherfeestjes (even los van Luthers eigen worsteling met kwaad, erfzonde, de duivel en andere minder gezellige dingen) is Luthers oproep om terug te gaan naar de bronnen. Eigenlijk een heel wetenschappelijk standpunt. Niet wat wíj of zíj er anno nu of toen van vonden en vinden, maar wat er staat geschreven. In de bijbel, bij de kerkvaders, en bij Luther en Calvijn zelf – daar ging het om. En waar kom je dan op uit?

Verwarring

Gelukkig is er deze week ook een mooi boek verschenen dat daar antwoord op geeft, onder redactie van Enny de Bruijn: Volk in verwarring. Reformatie in Nederlandse steden en dorpen (De Banier). Want als we teruggaan naar de bronnen, en dat doet dit boek in goed reformatorische traditie, komen we uit bij twee opvallende kenmerken van die tijd die elkaar lijken tegen te spreken: verabsolutering van de waarheid én verwarring. De Reformatie was vooral een tijd van angst, onzekerheid, verwarring en polarisatie. De gewone man werd heen en weer geslingerd. De ene absolute waarheid (Rome is de antichrist) werd tegenover de andere (protestanten zijn ketters) gezet. Achtervolgen we elkaar tegenwoordig met troltweets, toen belandde je om je mening op de brandstapel. Met opgeheven hoofd en met volle overtuiging.

De grote verdienste van De Bruijn c.s. is dat ze die gewone man aan het woord laten. De auteurs hebben geen grootse wetenschappelijke ontdekkingen gedaan, maar ze hebben zich dit afgevraagd: wat betekende al dat tumult voor de gewone mensen in Nederland, in Gouda, in Kampen en Breda? Per stad en dorp wordt dat door een keur aan auteurs onderzocht. Wat vonden gewone mensen van hagepreken? Lazen zij al die pamfletten werkelijk? Ja, dat deden ze. En vochten ze elkaar dan niet de tent uit? Ja, ook. Veel van wat Luther aanzwengelde, en Calvijn met hem, lag al onder de sintels van de instituties te smeulen. Wat de Duitse historicus Heinz Schilling al stelde in een magistraal werk, Luther was minstens net zozeer kind van zijn tijd als grondlegger van al die nieuwe hervormingen. Hij was ook een doek, waarop de (lezende) bevolking haar eigen frustraties en verlangens projecteerde.

Kleur bekennen

De oogst van de Reformatie in Nederland – zo blijkt - was vooral dat de gewone man gedwongen werd kleur te bekennen, zélf een weg te zoeken in al die verwarring. Met alle gevolgen van dien. Een kapelaan uit Zaltbommel, Jan van Venray, die stiekem een hagepreek bezocht, kwam daar mee weg. Maar een weduwe die een hervormde bijeenkomst organiseerde, moest dat met de dood bekopen. En uiteraard probeerde de gewone man er ook een slaatje uit te slaan. Een schoolmeester die zijn kinderen voortaan de psalmen en de catechismus moest bijbrengen (die moesten nu immers zelf kennis over het geloof krijgen), eiste daarvoor salarisverhoging. Anders dan de historici Geyl en Rogier in de oude ‘protestantiseringsthese’ beweerden, was het niet alleen dwang of militair geweld, maar vaak ook de eigen keuze die mensen wel of niet tot het protestantisme bracht. Keuzes die juist ook die verwarring kenmerkten en vergrootten, niet alleen onder de geleerde heren, maar óók onder gewone mensen, waar de standpunten net zo ver uiteen lagen.

Veel van die ‘gewone mannen en vrouwen’ beschouwden het door hen gekozen standpunt als de absolute waarheid. En waren ook bereid daarvoor te sterven. Iets wat nu een nare smaak achterlaat, met al die heilige strijders voor het eigen gelijk die bereid zijn daarvoor zichzelf, maar vooral ook anderen, te offeren.

Het heeft een paar eeuwen geduurd, maar met vallen en opstaan hebben we in Europa geleerd de waarde van diversiteit en het compromis te erkennen. Of toch niet? Het lijkt soms alsof we weer in de Reformatie leven. We zijn weer allemaal martelaren van ons eigen geweten. Wat nou paus, keizer of regeerakkoord – we sterven liever de twitterdood dan gezag te aanvaarden. Erg modern, erg Nederlands, erg reformatorisch. Maar de vraag is wel op welke bronnen de gewone man nu zijn absolute gelijk baseert. En hoeveel martelaren er nog zullen sneuvelen voor de rust weerkeert.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.