Column

Holle praatjes van het nieuwe kabinet

Japke-d. Bouma schrijft elke week over de taal die ze om zich heen hoort. Vandaag: toekomstgericht en toekomstbestendig.

De toekomst is helemaal terug. Althans, die indruk krijg ik de laatste tijd. Allereerst is er natuurlijk het nieuwe kabinet met zijn motto ‘vertrouwen in de toekomst’. De motto’s van vorige kabinetten hadden het daar niet over. Maar ik kom ook steeds vaker het woord ‘toekomstgericht’ tegen in beleidsrapporten en persberichten.

Zo is er ‘toekomstgericht onderwijs’, ‘toekomstgerichte infrastructuur’, zijn er ‘toekomstgerichte visies’, ‘toekomstgerichte accountants’ en „worden de kernwaarden van Drenthe zoals rust, ruimte en oorspronkelijkheid toekomstgericht gemaakt”.

Nu ben ik natuurlijk heel blij dat de toekomst weer hot en happening is en we gestopt zijn met een beetje ongericht in het heden en verleden te hangen, of ongericht naar de toekomst te kijken. Maar wat houdt het concreet in? Want dát iets of iemand zich op de toekomst richt, wil nog niet zeggen dat er ook iets moet gebeuren.

Zo kan je een vizier richten, zonder meteen de trekker over te halen. Je kan er ook een beetje door gaan zitten turen en denken: ziet er prima uit die toekomst, mañana mañana. Lemmingen die op een klif afdenderen zijn bijvoorbeeld ook heel toekomstgericht, alleen is die toekomst dichterbij dan ze denken. Dat is sowieso mijn vraag: hoe lang duurt die toekomst waar al die mensen en dingen zich op richten?

Wat dat betreft is ‘toekomstbestendig’ al een stuk ambitieuzer. Ook zo’n woord dat ineens overal opduikt. Zo is er een ‘Taskforce Toekomstbestendig Onderwijs’ (die houdt zich, denk ik, ook bezig met het toekomstgerichte onderwijs), ‘toekomstbestendig zorgvastgoed’, kun je je opgeven voor ‘een dialoogtafel’ (jeuk!) over ‘ toekomstbestendig bestuur’ en is er ‘toekomstbestendig Haags water’. Wat er ambitieus aan is, is dat het betekent dat wát er ook gebeurt aan terrorisme, werkloosheid, klimaat of stijgende zeespiegels, je ertegen bestand bent. Maar daar zit natuurlijk ook meteen het probleem. Want wie is er bestand tegen de toekomst, wie weet hoe de toekomst eruit zal zien? Echte toekomstbestendigheid is wat mij betreft een bomvrije bunker met een grote voorraad blikken witte bonen in tomatensaus. De rest is holle praat.

Wat ik ook lastig vind aan het woord toekomstbestendig is dat het zo negatief is. Het voelt als: ‘zet je maar schrap’. Wat dat betreft werkt het woord hetzelfde als ‘hittebestendig’, ‘stressbestendig’ en ‘fraudebestendig’, zo schreef het Genootschap Onze Taal al eerder over ‘levensloopbestendig’. Ik bedoel: er bestaan geen combinaties van ‘bestendig’ en iets positiefs. Niemand zal zeggen: ik ben vreugdebestendig, liefdebestendig of slagroombestendig.

Ik ben nu dus een beetje in verwarring. Want enerzijds heeft mijn nieuwe regering vertrouwen in de toekomst maar anderzijds zegt ze: het wordt allemaal heel erg. Samen het schip in, zoiets. Wat trouwens ook een heel mooi motto was geweest.

Mij lijkt het dan ook handiger weer eens iets te doen, in het heden, in plaats van al die plannen voor de toekomst te maken. Er was in Rotterdam ooit een club die Tomorrowland heette. Die is failliet.

Maar voor ons land is het vast nog lang niet te laat.

Taaltips op @Japked via Twitter.