Interview

‘Voor Duitsers is deze expositie confronterend’

Rein Wolfs

Rein Wolfs is directeur van de Kunsthalle in Bonn waar vrijdag een belangrijke expositie over de ‘Gurlitt Fund’ opent. „Door de vondst is er in Duitsland een groter bewustzijn gekomen, ook bij musea. Zij doen nu veel meer aan herkomstonderzoek.”

Foto Chris Keulen

Een week voordat de expositie Bestandsaufnahme Gurlitt: Der NS-Kunstraub und die Folgen opengaat voor publiek, ontvangt Rein Wolfs achter elkaar journalisten en cameraploegen. Toen de Nederlander begin 2013 werd benoemd als directeur van de Bundeskunsthalle in Bonn had hij geen idee dat hij een zo beladen expositie zou mogen organiseren.

Een half jaar na zijn aantreden werd de vondst van een schat aan nazi-roofkunst bekend. Cornelius Gurlitt, zoon van kunsthandelaar Hildebrand Gurlitt die in de Tweede Wereldoorlog chef-inkoper voor het Führermuseum van Adolf Hitler in Linz was, bleek in zijn appartement een deels omstreden collectie van meer dan duizend kunstwerken te herbergen. Eind 2014 wist Wolfs dat zijn museum samen met Kunstmuseum Bern deze Kunstfund Gurlitt tentoon mocht stellen. Vanaf vrijdag zijn de werken voor het publiek te zien. „Voor Bern was het van begin af duidelijk dat zij zouden inzoomen op de niet omstreden ‘entartete Kunst’. Dat maakte het logisch dat wij ons richten op de nazi-roofkunst en de verdachte werken.”

Inmiddels beseft de 57-jarige Wolfs als geen ander hoe gevoelig het onderwerp nazi-roofkunst ligt. „Ik las net een stukje in een krant waarin de vondst werd vergeleken met het publiceren in de jaren tachtig van de dagboeken van Adolf Hitler in het weekblad Stern, die later overigens vals bleken te zijn”, zegt Wolfs in zijn directiekamer. „De hele Duitse en internationale pers kijkt over je schouder mee. Er zijn allerlei kampen in de discussies. Musea denken er verschillend over. De familie van Gurlitt is ook een kamp. Mensen op straat hebben erover gehoord of gelezen en hebben er een mening over. Dat maakt dit project heel bijzonder.”

Dat project omvat meer dan een expositie. De Bundeskunsthalle is nauw betrokken bij de herkomstonderzoeken die door het Duitse cultuurministerie in gang zijn gezet. Wolfs coördineerde ook de catalogus waarin onderzoeken van het Zentrum Kulturgutverluste worden beschreven.

Een dag voor het gesprek is bekendgemaakt dat dit onderzoeksinstituut van een zesde kunstwerk definitief heeft vastgesteld dat het roofkunst is. Het portret van een jonge vrouw van Thomas Couture hangt helemaal aan het begin van de tentoonstelling, als eerste waar het publiek langskomt. Puur toeval, de eerste zaal is gewijd aan vrouwenportretten. „Onze restauratoren hebben het gaatje in het doek ontdekt waarvan in de documentatie van de voormalige eigenaar, de Joods-Franse minister Georges Mandel, sprake is. Dat was de laatste bouwsteen in het onderzoek. Nu moet nog een politieke beslissing volgen hoe het gerestitueerd zal worden.”

Pas zes werken van de ongeveer 1.500 zijn nu als roofkunst geïdentificeerd. Dat is niet veel.

„In 2014 had ik ook verwacht dat nu meer geroofde werken geïdentificeerd zouden zijn. Het heeft me niet vrolijk gemaakt dat het zo’n langdurig proces is. Het is in 2014 waarschijnlijk niet slim geweest om te spreken van een ‘Taskforce’ die de collectie moest onderzoeken. Daarbij denk je gelijk aan een militaire doortastendheid, waardoor alles snel gaat.

„Ik heb ook moeten leren hoe moeilijk het is om de herkomst van een werk vast te stellen. Hoe langzaam het gaat om wetenschappelijk bewijs te verzamelen. Zo weten we van veel werken niet of Hildebrand Gurlitt ze in 1938, in 1941 of in 1944 in handen heeft gekregen. Dat kan nogal veel verschil maken. In 1938 zijn werken onder druk verkocht, door families die op de vlucht sloegen. Maar dan is er wel een financiële transactie, en kun je een moreel oordeel vellen of er te weinig is betaald. In Parijs ontstond in de jaren veertig een ‘hot market’, waarbij de prijzen deels omhoog schoten en er soms ook juist veel geld is betaald door handelaren als Gurlitt. En dan zijn er werken die daadwerkelijk uit collecties zijn geroofd.”

Denkt u dat er nog meer werken als roofkunst bestempeld zullen worden?

„Er zullen er meer volgen, maar ik kan geen uitspraken doen over hoeveel. Aanvankelijk dachten we dat de tentoonstelling een rol zou kunnen spelen, omdat mensen werken zouden kunnen herkennen als afkomstig uit hun familie. Dat verwachten we inmiddels minder omdat er al veel publiciteit is geweest. Wel zal er een psychologisch effect zijn door de nieuwe aandacht voor roofkunst. Dat kan claims opleveren, ook onterechte overigens.

„Door de vondst is er in Duitsland en Zwitserland wel een groter bewustzijn gekomen, ook bij musea. Zij doen nu veel meer aan herkomstonderzoek.”

Was dat besef er te weinig?

„Na het ondertekenen van de Washington Principles in 1998 heeft een Duitse commissie zich met restitutievragen beziggehouden en zijn er werken teruggegeven. Maar de musea hier hebben nooit zo systematisch hun collectie hoeven onderzoeken als de Nederlandse. Dat is nu in Duitsland en ook in Zwitserland door Gurlitt in een stroomversnelling gekomen, omdat de politiek er meer geld voor ter beschikking heeft gesteld en er publieke druk is ontstaan. Dat zal tot meer restituties leiden, al is het probleem dat erfgenamen steeds moeilijker te vinden zijn. Zo hebben we hier op de tentoonstelling ook werken uit het zogeheten Sondervermögen der Bundesrepublik Deutschland, waarin roofkunstwerken zitten die niet gerestitueerd kunnen worden. Daaronder een Rubens, een Makart en een Spitzweg.”

Heeft Gurlitt voor een waterscheiding gezorgd?

„Dat denk ik wel. Er was een gebrek aan kennis. En aan aandacht. Dat komt ook door het opportunisme na de oorlog. Men wilde het verleden snel vergeten. Duitsland is traditioneel een land met een sterke kunsthandel. Die had er niet altijd belang bij om de eigen rol in de historie duidelijk te maken.

„Hildebrand Gurlitt is ook een voorbeeld hoe makkelijk het verleden kon worden vergeten. Hij kon in 1948 weer gewoon directeur van de Düsseldorfer Kunstverein worden. Zonder problemen werd hij gerehabiliteerd, ook doordat hij zich opzichtig beriep op zijn joodse afkomst door zijn joodse grootmoeder en op het feit dat hij een groot voorvechter van de avant-garde was geweest.”

Is dat opportunisme confronterend in Duitsland?

„Zeker. Maar voor veel Duitsers is het ook heel confronterend hoe de systematische kunstroof door de nazi’s een enorme impact heeft gehad op kunstverzamelingen in Europa, van musea en van particulieren. Ik zelf had er wel een idee van, maar wist niet dat de invloed zo structureel is geweest.”

Hangen de vijf al eerder gerestitueerde werken op de tentoonstelling?

„Bij drie is het niet gelukt ze hier te krijgen. Dat komt ook doordat erfgenamen na restitutie de werken hebben laten veilen of verkocht hebben via de kunsthandel. We weten van sommige niet waar ze zijn gebleven.

„Er hangt wel een tekening van Menzel, Inneres einer gotischen Kirche , die van de erven van de familie Wolffson in Hamburg komt. Die tekening hangt naast een ander werk van Menzel dat ook door de handen van Hildebrand Gurlitt is gegaan uit het Wallraf-Richartz-Museum in Keulen. Wolffson heeft dat werk na de oorlog nog teruggevraagd aan Gurlitt, maar het niet gekregen. Aan de hand van het lot van de familie Wolffson en van andere families willen we in de tentoonstelling een menselijk en historisch perspectief geven van de mensen die slachtoffer zijn geworden van de Holocaust en de nationaal-socialistische Kulturpolitik.”

Waarom nu pas de tentoonstelling. Kon het niet eerder?

„We hadden de tentoonstelling al een jaar eerder willen laten zien. Daar hadden we met Bern ook afspraken over. Maar toen besloten familieleden het testament van Cornelius Gurlitt, waarin hij de verzameling aan het Kunstmuseum Bern toebedeelt, aan te vechten op basis van ontoerekeningsvatbaarheid. Dat heeft bijna twee jaar geduurd. Sindsdien hebben we haast gemaakt. Langer dan tot nu wilden we niet wachten. Dan zou het thema van de agenda verdwijnen.”

Vindt u de tentoonstelling ook kunsthistorisch interessant, of zijn de werken toch vooral tweede garnituur?

„Er zit niet zoveel tweede garnituur bij. Als je kijkt naar de Waterloo Bridge van Monet, dan is het niet de allerbeste maar wel een heel goede. Zo hangen er mooie Nederlandse zeegezichten van Jan van Goyen en van Ludolf Bakhuizen. Het is gek gelopen met de berichtgeving over de Gurlitt Fund. Eerst werd het als een miljardenvondst aangemerkt. Toen heel veel werken op papier bleken te zijn, werd gezegd dat het niet veel voorstelde. Dat is onzin, Hildebrand Gurlitt had een goed gevoel voor kwaliteit.”

Wat is uw favoriete werk op de tentoonstelling?

„Ik vind het Stamcafé in Zandvoort van Max Beckmann een heel mooie aquarel. Het is ook cultuur- en maatschappijhistorisch een interessant en tegenwoordig niet meer geheel politiek correct werk, omdat je op een terras een zwarte bediende de witte mensen ziet bedienen.”

Wat hoopt u dat de betekenis van de tentoonstelling zal zijn?

„Een toename in het historisch bewustzijn. Dat voor een breder publiek duidelijk wordt hoe niet alleen de Holocaust, maar ook de kunstroof uitermate systematisch is doorgevoerd. De vragen met betrekking tot schuld moeten gesteld blijven worden, om te voorkomen dat het nogmaals gebeurt. Cultuurgoed is een reflectie van de condition humaine. Daar moeten we met de opkomst van verschillende nieuwe politieke bewegingen voorzichtig mee omgaan. In Nederland, en nu ook weer in Duitsland.”