Commentaar

Collectie-Gurlitt kan leiden tot iets goeds: meer teruggave

Het begon met een sneue bejaarde kluizenaar in München, in een met kunstwerken volgepropt appartement. Letterlijk, ze lagen tot onder zijn bed. Er zat werk bij van Cézanne, Matisse en Monet, de geschatte waarde bedroeg honderden miljoenen euro’s. Belasting was er nooit afgedragen, maar dat was het minste probleem. De eigenaar, Cornelius Gurlitt (1932-2014), erfde de collectie van zijn vader Hildebrand Gurlitt, een van de kunsthandelaren van de nazi’s. Dat betekende dat er hoogstwaarschijnlijk zogeheten roofkunst bij zat: systematisch aan Joodse eigenaren onttrokken kunstschatten. Maar hoeveel? En van wie? Duitsland zat ermee in zijn maag. Beieren diende bij de Duitse Bondsraad een ‘Lex-Gurlitt’ in, een wet die de in Duitsland geldende verjaringstermijn voor het teruggeven van roofkunst onder voorwaarden buiten werking zou stellen. Het is nooit in behandeling genomen. Maar achteraf beschouwd lijkt het of met de Gurlitt-vondst in Duitsland en Zwitserland het besef is begonnen in te dalen dat het, wat roofkunst aangaat, niet voldoende is om schuldbewust te reageren. Het systematisch doorlichten van collecties op roofkunst lijkt nu eindelijk ook daar te worden opgestart.

In heel Europa hebben nazi-kopstukken doelbewust de kunstverzamelingen van musea en Joodse particulieren afgegraasd. Het doel was bijvoorbeeld Hitlers voorgenomen Führermuseum in Linz, maar niet zelden was het ook ten eigen bate. In de nadagen van de Tweede Wereldoorlog heeft het Russische Rode Leger op zijn beurt met grove greep weer kunst geroofd uit Duitsland. Zo raakte een immens contingent kunstwerken, de ziel van de cultuur en de collectieve geschiedenis van naties, op drift. Dat zal nooit meer recht getrokken kunnen worden.

Er wordt gewerkt aan teruggave, soms nog erg schoorvoetend. De tijd verstrijkt, directe nabestaanden en ooggetuigen die kunstwerken nog persoonlijk kunnen herkennen worden schaars.

Bovendien is identificatie een langdurig proces. En is een werk onmiskenbaar van een bepaalde eigenaar, dan is teruggave minstens zo tijdrovend. De speelfilm Woman in Gold (2015) geeft, gedramatiseerd, weer hoe er door tegendenkende museumautoriteiten en gewiekste advocaten werd omgesprongen met de rechtmatige erfgename van onder andere het cruciale ‘Portret van Adèle Bloch-Bauer I’ van Gustav Klimt. De erfgename haalde pas na 10 jaar vechten haar recht.

Haar advocaat verdiende uiteindelijk 170 miljoen dollar. Want er valt veel te verdienen via de roofkunst en niet alleen door de erfgenamen wie het vrijstaat hun bezit na restitutie te verkopen. Een bijverschijnsel van het restitutiebedrijf is dat gespecialiseerde advocaten en kunstexperts actief mogelijke erfgenamen van roofkunst van aanzienlijke waarde proberen te traceren om ze voor te stellen een restitutiezaak te beginnen voor bezit waar ze zelf geen weet van hadden. ‘Premiejagers’ worden ze, nogal sensationalistisch, genoemd. Het maakt inderdaad een akelige indruk: een percentage van de taxatie- of verkoopwaarde toucheren van een kunstwerk dat onder afgrijselijke omstandigheden van eigenaar verwisselde.

Anderzijds lijkt het of sommige musea liever op hun handen blijven zitten dan op zoek te gaan naar nazaten van rechthebbenden, zelfs als ze weten wie dat zijn. Premiejagers zijn geen weldoeners, ze zoeken waar er veel te verdienen valt. Maar als er via hun hebzucht door het Derde Rijk buitgemaakte kunst terugkeert waar het hoort, dan is hun optreden het minste van de kwaden.