Recensie

Paranoia op de campus

Activisme Studenten eisten het ontslag van hoogleraar Laura Kipnis na een essay waarin ze Amerikaanse studenten seksuele paranoia verweet. Kunnen activisme en het vrije woord hand in hand gaan?

In het voorjaar van 2015 publiceerde Laura Kipnis, hoogleraar filmstudies aan Northwestern University ten noorden van Chicago, een essay in The Chronicle of Higher Education dat tientallen studenten ertoe bewoog om met dichtgetapete monden de straat op te gaan en haar ontslag te eisen.

Kipnis’ essay was getiteld Sexual Paranoia Strikes Academe en ging over de wederwaardigheden van professor filosofie Peter Ludlow, die door moeilijk te bewijzen aantijgingen van twee studentes eerst zijn leerstoel verloor, vervolgens zijn spaargeld en zijn huis in rechtszaken stopte en inmiddels berooid in Mexico verblijft, ook al is hij nooit officieel veroordeeld.

De strekking van Kipnis’ essay was dat alleen al de term rape culture iedereen dusdanig de rillingen over de rug doet lopen dat grof geschut in stelling wordt gebracht om iedere schijn van nalatigheid wat betreft seksuele intimidatie te voorkomen. Een anonieme klacht kan genoeg zijn om overijverige universiteitsbureaucraten aan het werk te zetten en een academische carrière de nek om te draaien. Seksuele paranoia, volgens Kipnis (1956), maar studenten van haar universiteit dienden klachten tegen haar in wegens het creëren van een ‘vijandige en ijzingwekkende leeromgeving’.

Nu heeft Kipnis van haar essay, dat ook is opgenomen in Jonathan Franzens selectie The Best American Essays 2016, een boek gemaakt: Unwanted Advances. Sexual Paranoia Comes to Campus. Hierin beschrijft ze de zaak-Ludlow uitvoerig, sms- en e-mailuitwisselingen van de professor met de beschuldigende partijen incluis. De vrouwen, schrijft Kipnis, onderhielden vrijwillig een relatie met Ludlow, waren op geen enkele manier afhankelijk van hem, ze waren volwassen en dus zelf in staat te bepalen of ze wilden ingaan op zijn avances of niet. Te doen alsof een vrouw daarin geen zeggenschap heeft, is haar reduceren tot een willoos object zonder individuele verlangens, een puriteins vrouwbeeld waar de tweede feministische golf korte metten mee dacht te hebben gemaakt, aldus Kipnis.

Inmiddels heeft een van de twee studentes opnieuw een klacht ingediend tegen Kipnis en een zaak aangespannen tegen uitgever Harper Collins, omdat het boek een verkeerde voorstelling van zaken geeft. De details van de zaak-Ludlow zullen misschien nooit boven water komen, en Kipnis’ pleidooi voor vrouwelijke zelfbeschikking is van belang, maar al te simpel voorgesteld.

Interessanter is Kipnis’ beschrijving van de gevoeligheden op Amerikaanse universteitscampussen. Kinderen van ‘helikopterouders’ – overbezorgde ouders – worden overgedragen aan helikopteruniversiteiten, waar het bestuur reguleert hoe de jeugd zich seksueel ontwikkelt. Wederzijdse instemming telt alleen wanneer die in nuchtere toestand luid en duidelijk is gegeven; een norm waardoor bijna iedere sleepover wel als aanranding kan worden bestempeld – wat ook te vaak, maanden later, nog gebeurt, volgens Kipnis.

Uitgebreide wetgeving

Onder de regering-Obama werd in 2011 de wet ‘Title IV’, die oorspronkelijk genderdiscrimatie op onderwijsinstellingen moest tegengaan, uitgebreid, zodat ook aanranding onder studenten kan worden aangepakt. Iedere universiteit dient een beambte te hebben die klachten in aanmerking neemt, onderzoekt en beoordeelt. Wanneer een universiteit in gebreke blijft, financiert de overheid de instelling niet langer.

Het probleem met die wet is volgens Kipnis dat die volstrekt willekeurig wordt uitgevoerd. Dát studenten moeten worden beschermd tegen grijpgrage professoren en medestudenten staat buiten kijf, maar hoe dat moet is ongewis. Het onderzoek naar de beschuldigde wordt vaak achter gesloten deuren uitgevoerd, de beschuldigde krijgt vaak pas naderhand de precieze klacht te horen, de tendens is ‘we should believe, as a matter of default, what an accuser says’.

Het probleem is, zoals ook uit de klachten tegen Kipnis blijkt, dat nu ook het geschreven en gesproken woord verdacht wordt gemaakt onder de Title IV-wetgeving. Kipnis noemt het voorbeeld van een collega tegen wie studenten een klacht indienden omdat zij aanstoot namen aan een paar dichtregels van Walt Whitman op de syllabus (om welke dichtregels het ging vertelt Kipnis jammer genoeg niet; misschien ‘an unseen hand also pass’d over their bodies’ of ‘we are oaks, we grow in the openings side by side’?).

De impliciete kwestie in Kipnis’ boek is hoe je zonder andersdenkenden de mond te snoeren toch effectief actie kunt ondernemen, in dit geval tegen de cultuur van ongewenste intimiteiten. Het activisme van de studenten kan niet betekenen dat het vrije woord, en, zoals Kipnis vaak benadrukt, de vrije, intellectuele omgeving van de universiteit in het geding komt. Wat dat betreft is de campus van Kipnis net de echte samenleving.