Recensie

Le Corbusier blijkt een schilder die ook bouwde

Tentoonstelling Le Corbusier was ‘dé architect van de twintigste eeuw’, en schilderde daar een beetje bij. Maar dat beeld begint om te draaien, zo ook in het Cobra Museum.

Foto Peter Tijhuis

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog, toen Le Corbusier in het door hemzelf ontworpen appartement aan de toenmalige rand van Parijs woonde, had ‘dé architect van de twintigste eeuw’ een dagelijkse routine. Hij begon de dag met schilderen en tekenen, en ging pas na de lunch naar zijn architectenbureau in het centrum van Parijs. Tegen borreltijd was hij alweer thuis om met zijn vrouw, het ex-model Yvonne Galis, pastis te drinken.

Ook in de vooroorlogse jaren schilderde en tekende Le Corbusier vrijwel dagelijks. In 1918-1923, de jaren waarin hij in zijn tijdschrift L’Esprit Nouveau het woord van nieuwe architectuur verkondigde, was hij zelfs in de eerste plaats schilder van ‘puristische’ stillevens, waarin flessen, kannen en andere objecten zijn teruggebracht tot simpele oervormen.

Zondagsschilder

Toch hebben architectuurhistorici Le Corbusier’s schilderkunst tot voor kort nauwelijks serieus genomen. Ze zagen hem vooral als een zondagsschilder, wiens tekeningen en schilderijen geheel los stonden van zijn architectuur.

Hierin kwam twee jaar geleden verandering op de grote Le Corbusier-tentoonstelling in het Centre Pompidou. Anders dan gewoonlijk op Corbusier-exposities hingen toen in Parijs niet een paar maar tientallen schilderijen. Le Corbusier bleek eerder een schilder die bouwde dan een architect die ook schilderde. Zelfs zijn ‘machines à habiter’, zoals Le Corbusier zijn witte villa’s uit de jaren twintig noemde, werden hier ontmaskerd als ruimtelijke sculpturen die niets te maken hebben met het ‘functionalisme’ waarvan hij als een van de grote pioniers wordt beschouwd.

Bij Le Corbusier’s vierde dimensie in het Cobra Museum in Amstelveen gaat het nu zelfs louter om Le Corbusier de schilder: ontwerpen voor gebouwen zijn geheel afwezig. Toch is het, net als in Parijs, de bedoeling om hiermee het nog altijd bestaande beeld van Le Corbusier als de ‘rationalistische en functionalistische’ vormgever bij uitstek bij te stellen, zo blijkt uit de introducerende tekst. De werkelijkheid was veel complexer, zo valt te lezen: Le Corbusier zelf beschouwde scheppen als ‘het betreden van een miraculeuze vierde dimensie’.

De tentoonstelling, die bestaat uit tientallen tekeningen, enkele schilderijen, wandtapijten en sculpturen, is een volgende stap in de herziening van het beeld van Le Corbusier. Op een aantal vroege ‘puristische’ tekeningen volgt een stoet steeds wildere, ‘expressionistische’ tekeningen die het complete tegendeel zijn van ‘constructivistische’ kunst in de trant van De Stijl. Vooral in Corbulations, de speciaal voor de tentoonstelling gemaakte installaties van de Deense kunstenaar Jakob Kolding waarin werken van Le Corbusier zijn samengebracht met die van Karel Appel, Constant en Asger Jorn, laten zien dat Le Corbusier veel meer was dan een zondagsschilder. Hij had heel goed het Parijse lid van Cobra kunnen zijn.

Hoe Le Corbusiers schilderkunstige vondsten zijn architectuur beïnvloedde wordt, jammer genoeg, slechts hier en daar aangestipt in de begeleidende teksten. Zo wordt over een serie tekeningen uit 1942-43 vermeld dat het ‘stiermotief’ dat hierin opduikt, terugkeerde in de ‘stiervormen’ in de overheidsgebouwen in Chandigarh, de hoofdstad van de Indiase deelstaat Punjab die Le Corbusier in de jaren vijftig ontwierp.