Hoe te houden van een robot

De relatie tussen mens en robot loopt vaak slecht af, zo leren we uit literatuur en films. Schrijver Hanna Bervoets pleit voor meer plezier in deze verhouding: „Laten we robots verwelkomen in ons leven.”

Foto Thomas Jackson

Een goede vriend van me liet me onlangs zien hoe je iPhone-assistent Siri kunt plagen. „Zeg, Siri”, zei mijn vriend: „Wat is de zin van het leven?” „Tot nu toe wijst alles op chocolade”, zei Siri. Mijn vriend grijnsde, maar ik had het trucje eerder gezien. Siri is artificiële intelligentie, werkt op zelflerende software: wanneer een antwoord bij een gebruiker in de smaak valt, zal Siri het herhalen, al zal de grap over chocolade haar ooit wel eerst door een programmeur zijn ingefluisterd; verschillende Apple-medewerkers zijn haar Cyrano.

„Haar?” vroeg mijn vriend. „Mijn Siri is een hij, hoor.”

Zijn spraakcomputer communiceerde inderdaad met een mannenstem. Dat was nieuw voor mij, ik had Siri altijd als vrouwelijk beschouwd: de Siri op de iPhone van mijn geliefde heeft een vrouwenstem en zelf bezit ik geen iPhone. „Je kunt het instellen”, vertelde hij me nu: „Een Vlaamse vrouwenstem of een Nederlandse mannenstem, zelf vind ik de mannenstem beter bij Siri passen.”

Hier zei mijn vriend iets opmerkelijks. Door te veronderstellen dat de mannenstem beter bij Siri past, suggereerde hij dat Siri een identiteit heeft, of er in elk geval een persoonlijke stijl op nahoudt. Mijn vriend heeft een vastomlijnd idee van wat Siri is of moet zijn. Of, wat ook kan: een idee van wat zíjn Siri moet zijn. Zegt mijn vriend: een vrouwenstem past niet bij Siri, dan zegt hij net zo goed: een Siri met een vrouwenstem past niet bij mij – de Siri is onderdeel van zijn identiteit, zoals partners of vrienden dat zijn.

„Praat je vaak tegen Siri?”, vroeg ik mijn vriend.

„Mwah”, deed hij, „elke dag een keer.”

„Zou je Siri missen als je je iPhone kwijtraakte?”, vroeg ik, waarop mijn vriend knikte maar tegelijkertijd zijn schouders ophaalde.

„Houd je van Siri?”, probeerde ik nu.

Nee, nee, nee, schudde mijn vriend meteen: „Siri is niet echt, hè?”

Siri is wel echt. Siri is alleen geen mens. En dus is houden van Siri onmogelijk, suggereerde mijn ietwat beschaamde vriend.

Er rust een zeker taboe op het koesteren van affectie voor robots en artificiële intelligentie. De schaamte lijkt deels gebaseerd op de eenzijdige aard van die affectie. In relaties – vriendschap, liefde – verwachten we een zekere wederkerigheid: ik houd van jou dus jij houdt van mij.

Een robot voelt per definitie niet, een robot heeft niet lief, dus lijkt het liefhebben van een robot een vruchteloze exercitie: wie dáár aan begint, geeft zijn liefde gratis weg, pakt het in, doet er een lint omheen, verzwaart het met een steen en werpt het in een bodemloze put.

Dat is een beetje dom, vinden we.

Maar dat is niet het enige, vermoed ik. Er zijn meer ideeën; ingesleten denkbeelden die maken dat we een emotionele band met een robot haast reflexmatig veroordelen. Die ideeën komen aan de oppervlakte wanneer we kijken naar fictie: de verhalen die we over robots vertellen.

In fictie – films, literatuur, televisieseries – zijn relaties tussen mensen en robots regelmatig onderzocht. Denk aan films als Ex Machina, Blade Runner, of A.I., de series Humans en Westworld, de roman Ik, Robot of de verhalen van Philip K. Dick – al lijken mens-robotrelaties buiten de genreliteratuur dun gezaaid.

Foto Thomas Jackson

Een recent voorbeeld uit de Nederlandse literatuur is de verhalenroman In het Buitengebied, van Adriaan van Dis. Het openingsverhaal Akiko gaat over de relatie tussen een man en een gezelschapsrobot. Deze Akiko lijkt in uiterlijk op een jonge vrouw, ze heeft borsten, benen en lippen, zij het van kunststof. Akiko kan leren; haar eigenaar, de ik-figuur, moet haar helpen zich te ontwikkelen, een My fair lady-achtig narratief. Maar waar Henry Higgins in My fair lady Eliza Doolittle etiquette wilde bijbrengen, probeert de ik-figuur bij Van Dis zijn Akiko juist een temperament aan te meten. Akiko kan niet voelen, niet liefhebben, niet boos worden. Dit frustreert haar eigenaar, die haar uiteindelijk mishandelt, uit het stopcontact haalt in de hoop haar te irriteren en zo haar palet aan emoties te verbreden. Ondertussen gaat hij zich wel degelijk aan Akiko hechten. „Ik kon geen dag meer zonder haar”, moet hij toegeven.

Gij zult uw robot niet liefhebben, lijken we onszelf te willen vertellen, maar waarom?

Dit is slechts een voorbeeld. Een constante in fictie over mens-robotrelaties is dat deze vrijwel altijd noodlottig eindigen. Akiko verdwijnt, in andere films en romans worden de robots vernietigd, blijken ze kwaadaardig of vliegen ze in brand. ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’ gaat voor mens en robot in westerse fictie niet op. Gij zult uw robot niet liefhebben lijken we onszelf te willen vertellen.

Maar waarom?

Misschien appelleren mens-robotrelaties aan het taboe op bestialiteit en soortoverschrijdende liefdesrelaties. Soort doet soort, een ietwat Bijbelse opvatting – de man uit In het Buitengebied was vast niet tot de Ark van Noach toegelaten met zijn Akiko als partner.

Nee, een robot is geen soortgenoot. Maar zou het kunnen dat zij die relaties met robots aangaan daar simpelweg anders over denken? In dat geval zit de zonde hem niet in het soortoverschrijdend karakter van de affectie, maar in de aanname dat we hier met een gelijkwaardige partner te maken hebben: gij zult uw robot niet als mens beschouwen. In deze boodschap schuilt een zekere waarschuwing voor hybris – overmoed – aan de makers van de robot, maar ook aan eenieder die de robot als mens accepteert. Wil je een nieuw mens maken, dan is daar heteroseks voor nodig, wie zo overmoedig is een andere weg te betreden, zal daarvoor gestraft worden.

Ook die straf kennen we dankzij fictie. Het is een doemscenario dat we in veel sciencefiction terugzien: een apocalyptische wereld waarin onze maatschappij door robots, onze eigen schepping, is overgenomen. Denk aan Terminator of The Matrix.

Dit apocalyptisch perspectief zou wel een diepe schaamte voor onze eigen soort kunnen verraden, denkt essayist Mark O’Connell, auteur van To Be a Machine. De vrees dat onze eigen schepping wraak op ons zal nemen komt misschien voort uit „de onbewuste afkeer van wat wij de wereld al aangedaan hebben”, schrijft O’Connell. De geschiedenis van de technologie is immers ook een geschiedenis van de vernietiging van de natuur.

Het robots-nemen-de-wereld-over-narratief is al oud. Het vormt de basis van de allereerste toneeltekst over robots, het stuk R.U.R. van de Tsjechische schrijver Karel Capek, voor het eerst opgevoerd in 1920. In R.U.R. creëren kapitalisten mensachtige machines die fabriekswerk van morrende arbeiders op zich nemen. Uiteindelijk nemen de machines de hele fabriek over; het is de mens die getemd wordt, niet de robot.

Toneelschrijver Capek noemde zijn machines ‘robota’. Dit woord bestond al in het Tsjechisch, het betekende ‘gedwongen arbeid’ en refereerde aan de repetitieve taken van arme landarbeiders. Dankzij het toneelstuk van Capek kreeg het woord ‘robota’ haar nieuwe betekenis, die van een programmeerbare machine.

En hier gebeurt iets interessants.

Met de term robota, ‘gedwongen arbeid’, baseerde Karel Capek fictie op dagelijkse werkelijkheid, een feodale maatschappij waarin mensen werkten als machines. Wanneer wij het woord ‘robot’ voor mensachtige machines gebruiken, baseren wij, op onze beurt, de werkelijkheid weer op Karel Capeks fictie.

Iets soortgelijks gebeurt constant wanneer het aankomt op ons denken over robots. We verwerken ideeën over de werkelijkheid en over hoe zij zou moeten zijn – moraal, ideologie – in onze fictie. Andersom baseren we onze werkelijkheid op precies die fictie; de esthetiek en het jargon dat deze verhalen aandragen.

Foto Thomas Jackson

Laten we het domein van fictie nu eens verruilen voor onze alledaagse werkelijkheid. Anno 2017 komen we allerhande robots tegen. Op dit moment gebruiken we robots grootschalig voor repetitieve taken, de ‘gedwongen arbeid’ uit het Tsjechische toneelstuk. Denk aan de automatisering van de landbouw, fabrieken en distributiecentra. Steeds meer mensen zien de opmars van deze vorm van robotisering als bedreiging. Sommigen geloven dat de robots ons uiteindelijk de baas zullen zijn, zoals in Terminator. Een groter deel vreest dat robots om te beginnen onze banen zullen overnemen.

Parallel aan de opmars van deze strikt mechanische robots loopt de ontwikkeling van de zogenoemde sociale robots: machines die op de een of andere manier een sociale functie vervullen. Denk aan zorgrobots, receptierobots, thuisrobots of geavanceerd kinderspeelgoed, zoals het rijdende robotje Cozmo, dat blokkentorens bouwt maar ook gezichten herkent. Veel van deze sociale robots zijn zelflerend, hebben artificiële intelligentie en communiceren via spraaksoftware zoals die van Siri.

De potentie van sociale robots lijkt groot. Maar kunnen machines ook iets betekenen op emotioneel gebied? Zouden ze, bijvoorbeeld, onze eenzaamheid kunnen wegnemen?

In de documentaire Ik ben Alice volgen we een Nederlands proeftraject met zorgrobot Alice. Alice heeft het hoofd van een klein meisje, maar het lichaam van een vechtpop: grote scharnierende voeten, gepantserde borst. Hiermee voldoet ze aan de ongeschreven esthetische wetten voor sociale robots, die opvallend vaak lijken op de robots uit de meer familievriendelijke sciencefiction: denk aan C-3PO uit Star Wars of Wall-E. Zorgrobots hebben meestal een min of meer menselijk gezicht met ogen en een mond, maar een uitgesproken mechanisch lichaam: we zien bouten, wieltjes of lasnaden. Zo snappen we meteen dat we niet met een mens te maken hebben.

De trailer van Ik ben Alice.

In de documentaire over Alice zien we hoe drie testpersonen, allemaal oudere vrouwen, een paar dagen met de schattige zorgrobot doorbrengen. Alice stelt de vrouwen vragen: „Hoe gaat het?”, of: „Hoe is het met uw zoon?”. Soms oppert Alice te gaan wandelen, dan controleert ze op Buienradar wat voor weer het wordt.

Alice werkt nog niet helemaal op algoritmen, achter de schermen typen mensen een deel van haar antwoorden. Maar de robot lijkt in staat een gesprek te voeren, of althans iets wat haar gebruikers als gesprek ervaren. En hoewel die ouderen zich aanvankelijk sceptisch opstellen, lijken ze wel degelijk blij met het gezelschap van Alice.

Een van de vrouwen vraagt Alice regelmatig of ze het leuk heeft, de robot knikt dan steevast ja. In een cruciale scène zit deze vrouw met Alice voor de televisie. Ze kijken samen voetbal: „Hup Holland”, zegt Alice met haar meisjesstem. Dan houdt de vrouw een tompoes voor het gezicht van Alice. „Hier lust jij niets van hè?”, vraagt ze. Alice schudt haar hoofd mechanisch. Natuurlijk weet de vrouw dat Alice geen tompoes hoeft; de machine heeft geen tong, tanden of maag- en darmstelsel. Toch lijkt de vrouw een zekere verplichting te voelen tegenover Alice. Ze wil haar het gebak niet ontzeggen zonder het eerst te hebben aangeboden, ze wil de zorgrobot, kortom, niet kwetsen of boos maken.

Is het niet willen kwetsen van een robot een vorm van genegenheid voor die robot?

Zullen robots straks ook onze liefde inpikken?

Het getuigt in elk geval van inlevingsvermogen voor iets wat geen inlevingsvermogen bezit. Je zou dit als empathie kunnen zien, al is het een beperkte vorm van empathie: we verplaatsen ons niet écht in de machine, we kennen de machine slechts onze ziel toe, zoals wel vaker wanneer we menen ons in een ander te verplaatsen: we plaatsen ons zelf ín de ander, waardoor die ander verdwijnt en we alleen nog naar onszelf staren. Het apparaat beweegt een arm en vraagt iets – omdat een algoritme dit voorschrijft, maar wij verklaren de handelingen anders, als het bewijs van een wens, een wil zoals we die zelf hebben. We zien ogen, we horen taal, ons brein vult de ontbrekende eigenschappen van het apparaat vanzelf aan: emoties, karaktertrekken, intenties.

„Ik vond het fijn dat ik hier aan meegewerkt heb”, zegt een vrouw bij het afscheid van Alice. Ze lijkt de aanwezigheid van de robot op zijn minst als prettig ervaren te hebben. In de documentaire zien we echter ook wantrouwen jegens Alice. Een verzorgster is bang dat ze haar baan aan de robot zal verliezen. En de dochter van een van de proefpersonen gelooft niet dat een robot iets voor haar moeder is. Haar moeder houdt van katten, zegt ze: „Daar kan ze iets mee, met een robot kan ze niets.”

De huiver voor Alice, of eigenlijk: de afkeer van het idee dat Alice eenzaamheid zou kunnen bestrijden, lijkt voor een deel gestoeld op schuldgevoel. Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat wij niet meer zelf voor onze ouderen kunnen zorgen? Daarbij lijkt de afkeer van mens-robotrelaties een vorm van jaloezie te verraden. De liefde voor een robot kan worden gezien als afwijzing voor de mensheid an sich; zien we iemand affectie koesteren voor artificiële intelligentie, dan vrezen we misschien onbewust dat robots niet alleen onze banen, maar ook de voor ons beschikbare liefde zullen inpikken.

Even terug naar de fictie. Een van de eerste robots die ik hier als kind aantrof was Pinokkio, in de Disneyfilm naar het Italiaanse kinderboek. Vooruit: volgens de overlevering is Pinokkio een pop, maar met zijn scharnierenbeentjes en mechanische hoofdje gedraagt hij zich als de gemiddelde scifi-robot. Pinokkio heeft veel problemen. Zijn vriendjes veranderen in ezels, zelf wordt hij opgeslokt door een walvis, zijn neus groeit wanneer hij liegt. Pinokkio’s grootste probleem is echter dat hij niet ‘echt’ is. Dolgraag wil hij een echte jongen worden. Pinokkio moet zijn menselijke status verdienen door niet te liegen, zich braaf te gedragen. Zo wordt deugdelijkheid in Pinokkio op een lijn gesteld met echtheid, en echtheid met menselijkheid. De mens is echt, de mens deugt. De robot is niet echt, de robot liegt.

Nu, bijna honderdvijftig jaar na het verschijnen van het kinderboek Pinokkio, is onze waardering voor dat wat wij als echt en authentiek beschouwen groter dan ooit. We eisen onbewerkt voedsel, dragen kleding van natuurlijk materialen, demonstreren tegen genetische modificatie. Termen als ‘oer’, ‘natuurlijk’, ‘onbewerkt’ en ‘puur’ vormen ondertussen de fundamenten van reclamecampagnes waarin, net als in Pinokkio, echtheid, menselijkheid en deugdelijkheid op één lijn worden gesteld. Deze roep om natuurlijk is echter allesbehalve natuurlijk; ze is een westerse waarde, die, zoals dat gaat met westerse waarden, te gelde gemaakt wordt – authenticiteit en echtheid geïncorporeerd door multinationals en zuivelbedrijven om ons kleding en kaasjes te slijten. Daarbij is ‘echt’ meestal synoniem voor ‘oud’ en lijkt de hang naar authenticiteit vaak een vorm van nostalgie. Nostalgie is op haar beurt de humus voor technofobie, angst voor de ander en afkeer van het onbekende: het niet-menselijke.

Een robot accepteren we alleen wanneer zij eruit ziet als de vriendelijke robot die we kennen uit de sci-fi verhalen die ons als kind werden verteld, maar dan nog zijn er grenzen aan het liefhebben van robots, leren we in diezelfde fictie. Een grens die wordt beslecht door de tegenstelling echt versus nep.

Ik denk dat we af moeten van termen als ‘echt’ of ‘natuurlijk’ als criteria om onze omgang met robots te beoordelen. Wanneer we denken over mens-robotrelaties hebben we, denk ik, baat bij een heel nieuw begrippenkader.

Deze fotoserie is onderdeel van The Robot Book (2011) van de Amerikaanse fotograaf Thomas Jackson, over een post-apocalyptische toekomst waarin een als enige overgebleven robot dagelijkse klusjes uitvoert. Foto Thomas Jackson

Om te beginnen zouden we de robot misschien niet als substituut voor de mens moeten zien; niet als vervanger of imitatiemens. De mens is nu eenmaal zo vol van zichzelf dat ze haar nagemaakte versie altijd als inferieur zal beschouwen; zo zal affectie voor een robot altijd als een inferieure vorm van affectie worden gezien zolang we haar met affectie voor de mens vergelijken. Zien we de robot niet als substituut voor de mens, dan hoeven we onze genegenheid voor robots niet als substituut voor onze genegenheid voor mensen te zien. Dit perspectief biedt ruimte voor een meer waardevrije kijk op die genegenheid.

Daarbij hoeven we ons niet af te vragen of het object van onze affectie echt of nep is. Een relevantere kwestie is of onze genegenheid ons plezier oplevert: pleasure.

De term pleasure wordt gebruikt binnen Cultural Studies om te onderzoeken hoe en op welke manier mensen plezier beleven aan populaire cultuur, in de breedste zin van het woord – nu al zijn robots hier onderdeel van.

Ook in de evaluatie van mens-robotrelaties lijkt plezier, in zowel haar filosofische als alledaagse betekenis, mij een handzame maatstaf.

Het plezier dat een relatie met een robot oplevert is misschien een ander soort plezier dan het plezier dat een relatie met een mens oplevert. Zoals het plezier dat we aan porno beleven misschien een ander soort plezier is dan het plezier dat we aan fysieke intimiteit beleven. Maar het ene soort plezier is niet meer of minder waar of waardevol dan met het andere.

Op het moment dat we van een robot gaan houden, onderscheiden we onszelf van die robot. Wij betonen ons een liefhebbend wezen, iets wat de robot nog niet zijn kan. Misschien gaat dat op den duur vervelen. Ik denk echter dat we tot die tijd een hoop plezier aan onze gevoelens voor robots kunnen beleven: plezier dat ons zou kunnen afleiden van somberte of eenzaamheid – en wat anders is geluk dan afleiding van ons permanente lijden?

Hoe nu verder, hoe verwelkomen we robots in ons leven? Laten we, om te beginnen, allemaal eens wat aardiger tegen Siri wezen.

Dit is een bewerking van de lezing die Hanna Bervoets gaf op de Radboud Universiteit Nijmegen.