Haagse man in streepjespak gaat naar Amsterdam

Waarnemend burgemeester van Amsterdam Jozias van Aartsen neemt zijn ervaring als burgemeester van een van de vier grote steden mee. En, meer specifiek, zijn ervaring met radicalisering; Den Haag heeft de dubieuze reputatie de stad met de meeste Syriëgangers te zijn.

Voor Jozias van Aartsen is er een leven van vóór de gemeenteraadsverkiezingen van 8 maart 2006 en van daarna. Ervoor was hij fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer. En als zodanig verantwoordelijk voor een verlies van 128 raadszetels in het hele land. Hij trad af als fractievoorzitter en werd gewoon Kamerlid. „Er was er maar één die voor dat verlies de verantwoordelijkheid kon nemen”, zei hij. „En dat was ik. Zo vind ik dat politiek moet worden bedreven.”

„Hij bezit een zekere democratische steilheid”, zegt partijgenoot Frank de Grave. „Van te voren had hij in de fractie gezegd dat hij bij groot verlies zou aftreden. Hij voegde de daad bij het woord.” Trouw aan zijn eigen beginselen. Na die tijd was hij ontspannener, zeggen fractiegenoten van toen.

Een Haagse man in streepjespak – zo typeerde diplomatiek verslaggever J.M. Bik van NRC Van Aartsen in de Paarse jaren, toen hij eerst minister van Landbouw was en daarna van Buitenlandse Zaken. Een saneerder en varkenspestbestrijder op zijn eerste departement, een solistisch opererende bewindsman op het tweede. Na de moord op Pim Fortuyn in de wilde populistische jaren volgde hij Gerrit Zalm op als fractieleider van een aangeschoten VVD. Een ingewikkelde opdracht, omdat Zalm vicepremier en lijsttrekker was, en geen van beiden zichzelf partijleider durfden te noemen. Ze zaten elkaar in de weg.

Liberaal kompas

Van Aartsen wierp zich binnen zijn partij op als beschermer van Ayaan Hirsi Ali en als criticus van minister Rita Verdonk (Vreemdelingenzaken). Over Hirsi Ali’s film Submission oordeelde hij: „Die is binnen de wet.” Toen Verdonk Hirsi Ali haar Nederlanderschap afnam, zei Van Aartsen: „Ze heeft te snel, te vlot en onvoldoende weloverwogen gereageerd.”

Zo kwetsbaar als zijn positie als politiek leider was geweest, zo zuiver stond in die jaren zijn liberale kompas afgesteld. „Politicus zijn is keuzes maken, oordelen”, zei hij na zijn terugtreden als fractievoorzitter. „Die keuzes worden je niet opgelegd, die zijn niet onvermijdelijk, die maak je zelf.”

Als burgemeester van Den Haag voer hij vanaf 2008 op dat kompas. Toen de Tweede Kamer in 2016 pleitte voor een verbod op salafistische organisaties, zei Van Aartsen: „Wij hebben in Nederland vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst. Wij beoordelen mensen niet op gedachten of ideeën. Dat is de hoeksteen van de rechtsstaat waar onze democratie op is gebaseerd. Ik vraag mij af of de Tweede Kamer zelf nog wel gelooft in de beginselen van de rechtsstaat.”

Woelige zomers

Den Haag beleefde onder de liberaal Van Aartsen twee woelige zomers achter elkaar. In 2014 trilden in Nederland de hoog oplaaiende spanningen van het Israëlisch-Palestijnse conflict door. In de Haagse Schilderswijk gingen jongeren met zwarte IS-vlaggen de straat op. Van Aartsen was en bleef met vakantie in Zuid-Frankrijk. De Telegraaf kopte ‘Den Haag radeloos. Burgemeester Van Aartsen nog steeds met vakantie’. Hij vond zichzelf de „zomerkomkommer” van 2014 en de kritiek op zijn wegblijven een „hetze”.

In 2015 stierf de Arubaanse Hagenaar Mitch Henriquez onder de handen van politieagenten die hem tegen de grond hadden gedrukt. Ook toen braken rellen uit in de stad. De burgemeester nodigde tijdens de rellen wijkbewoners en relschoppers uit op zijn kamer om te praten. Bij zijn afscheid noemde hij dit een dieptepunt in zijn ambtsperiode. „Dit had nooit mogen gebeuren.”

Wat Van Aartsen meeneemt naar Amsterdam is zijn ervaring als burgemeester van een van de vier grote steden. En, meer specifiek, zijn ervaring met radicalisering; Den Haag heeft de dubieuze reputatie de stad met de meeste Syriëgangers te zijn. Dat zal gewicht in de schaal leggen, zeker nu een van de meest brisante politieke dossiers in Amsterdam de aanpak van radicalisering en polarisatie betreft, na het strafontslag van een hoge ambtenaar.

Verder kan meewegen dat Van Aartsen dit jaar zeventig wordt en politiek gezien ‘klaar’ is. Over het doel van zijn aanstelling als waarnemer zal geen misverstand bestaan: hij doet het voor het algemeen belang. Een jonge partijgenoot zei tegen hem: „Jij durft zoveel te zeggen omdat je aan het einde van je carrière bent.” Van Aartsen schoot uit zijn slof. „En die carrière weerhoudt jou ervan om een standpunt in te nemen.”