Wat je leert van zes jaar luisteren naar dak- en thuislozen

Daklozen

Zes jaar lang was straatpastor Luc Tanja het luisterend oor voor dak- en thuisloze Amsterdammers. „Ik heb het idee dat ik alles heb gegeven wat ik te bieden heb.”

Ex-straatpastor Luc Tanja over daklozenbeleid A’dam: „Ik wil meer drive.” Foto Remco Koers

Niet iedereen in Amsterdam fietst of gaat met de tram. Sommigen lopen. Urenlang, van de ene naar de andere kant van de stad.

Het is een van de dingen die Luc Tanja de afgelopen zes jaar leerde. Als straatpastor van de Protestantse Diaconie Amsterdam was hij het luisterend oor voor de duizenden dak- en thuislozen in Amsterdam. „Ik heb de stad opnieuw leren kennen.”

Tanja werd in korte tijd een begrip onder dak- en thuislozen. Met vrolijke initatieven gaf hij de Amsterdamse daklozenwereld de jeu die haar zo typeert. Hij initieerde het daklozen-twitteraccount ‘de Straatvogels’ en sms-service ‘de Straattroubadour’. In 2015 werkte zijn Straatpastoraat mee aan een kunstwerk in de tentoonstelling A year at the Stedelijk van Tino Sehgal. „Dat soort gekke verbanden zijn echt Amsterdams.”

Maar Tanja gaat weg. Hij vertrekt naar het Leger des Heils in Almere, waar hij manager wordt van een huis met 25 opvangplekken. „Ik heb het idee dat ik alles heb gegeven wat ik te bieden heb.” Zijn opvolger is nog niet bekend, maar hij hoopt dat hij of zij het heel anders doet – „anders had ik het beter zelf kunnen doen”. Al hoopt hij wel dat het Amsterdamse daklozenbeleid „creatief en apart” blijft.

Sinds 1991 woont Luc Tanja in Amsterdam, maar toen hij in 2011 solliciteerde voor de functie als straatpastor, waren de ‘rafelranden’ nog nieuw voor hem. Zo leerde hij eerder te vertrekken van huis. Een paar minuten maar: dan had hij de tijd voor een praatje als hij iemand tegenkwam op straat – en die kans is in die zes jaar vele malen groter geworden. „Een praatje van twee minuten is voor sommige daklozen al een enorme verrijking van hun dag.”

Eerder deze week kwam hij ‘Kees’ tegen, bij de supermarkt. Kees vertelde hoeveel hij heeft aan de sms-service. De sms’jes over opvanghuizen, gratis kappers en het weer vond Kees verdomd handig, vertelde hij. „Zo’n ontmoeting is zoveel leuker dan een anoniem supermarktbezoek.”

Huizen

Het pand van de Diaconie grenst aan de Hoftuin achter de Hermitage: een chique locatie aan de Nieuwe Herengracht. „Het laat zien dat mensen serieus worden genomen.” In Amsterdam gaan „veel dingen goed”, wil Tanja benadrukken. „Kijk naar Brussel: een heel verschil als je daar uit de trein stapt. Overal zie je zwervers.”

Maar het kan natuurlijk beter. In Almere stromen mensen in de opvang na zes tot twaalf weken uit naar een zelfstandige woning, zegt Tanja. „In Amsterdam heb je dan net je tweede of derde afspraak. ‘Kortdurende’ opvang duurt hier soms zeven maanden. Een foute term, want zo wordt die lange, onzekere tijd gelegitimeerd.” Dat Almere en Amsterdam zo van elkaar verschillen komt door de „dramatische” woningmarkt hier, aldus Tanja: „Zonder huisvesting kun je dakloosheid niet oplossen.”

Sommige daklozen staan hem speciaal bij, zoals Rob Bril. Zijn zelfgebouwde tenten werden geruimd, hij voerde er rechtszaken over, verloor die. Behoorde tot de Top600, een lijst van 600 Amsterdamse veelplegers. Negen hulpverleners waren tegelijkertijd met hem bezig. Uiteindelijk lieten ze hem maar in de bosjes wonen. Daar gedijde Bril stukken beter bij; hij kwam maanden niet meer in aanraking met justitie. „Bij Rob zie je dat het kan: je kunt mensen altijd een plekje in de stad geven, in plaats van ze te verdrijven of op te sluiten.”

Negen hulpverleners waren tegelijkertijd met hem bezig. Uiteindelijk lieten ze hem maar in de bosjes wonen

Maar Tanja mist nog ambitie bij de gemeente om dakloosheid écht op te lossen. „Zijn er 350 opvangplekken nodig, regelt de gemeente er 310. Heel fijn, maar waarom niet een keer 360? Er zit iets fatalistisch in: dat we het toch niet kunnen oplossen.” Maar de woningmarkt zit toch vast? „Nou en? Zo’n gemeente moet zeggen: ‘we hebben een probleem. Dat wordt alleen maar groter. De landelijke overheid werkt niet mee, de economie ook niet. Wat leuk!’ Dáárom zit je in Amsterdam in het bestuur: omdat je hier mooie, grote problemen hebt. Ik snap dat dakloosheid over vijf jaar niet is opgelost, maar ik wil meer drive, meer Pippi Langkous: ik heb het nog nooit gedaan, dus ik zal het wel kunnen.”