Een interview zonder woorden met Sonja Barend

Schrijver en theatermaker Marjolijn van Heemstra ontmoet Sonja Barend. In stilte. Anderhalf uur lang. „Vragen en antwoorden brengen je niet altijd dichter bij iemand.”

Foto Arjan Bronkhorst

Twee stappen per seconde, dat is het ritme waarop Sonja Barend door haar huis beweegt. In haar woonkamer op de begane grond hoor ik haar hakken op de verdieping boven mij. Gestamp, schrijf ik in mijn notitieboek en streep ik dan weer door. Sonja stampt niet. Haar loop is stevig maar lichtvoetig. Rumoer, schrijf ik. Drukte. Deining. Sinds ze een paar minuten geleden de trap op ging gebeurt er van alles boven. Geschuif, gestommel, een deur, een kraan; het geluid benadrukt de rust beneden. Hier klinkt alleen het suizen van de verwarming en zacht gerommel van het haardvuur tegenover de bank waarop ik zit. Alsof in afwachting van Sonja’s terugkomst de adem hier wordt ingehouden.

Even ben ik bang dat ze niet meer naar beneden komt. Dat ze bij mijn binnenkomst besloot om toch niet mee te werken aan dit idiote plan.

Een zwijgend interview. Anderhalf uur stilte waarin ik hoop iets op te vangen van de ruimte achter de taal. Omdat vragen en antwoorden je lang niet altijd dichter bij iemand brengen. Omdat taal soms ook een barrière is en stilte iets kan blootleggen waar je maar al te makkelijk overheen praat.

Denk ik. Zo stellig als ik het nu opschrijf klonk ik niet toen ik het aan de telefoon aan Sonja probeerde uit te leggen. Wat is dat dan, vroeg ze, dat zich in die stilte moet openbaren? Geluid, zei ik, sfeer, ademhaling, energie, woorden die zich opdringen, woorden die wegblijven. Ik hakkelde en stamelde, bang dat het allemaal veel te esoterisch klonk. Ik noemde de gesprekken met mijn oma die de laatste vijf jaar van haar leven afatisch was en die ik om de week bezocht. In het begin praatte ik de uren vol. Tot het besef kwam dat we alleen in het zwijgen nog gelijkwaardig waren. In de vele stille uren die volgden ontsloot zich een woordeloze wereld waarin ik haar opnieuw ontmoette.

Die wereld, zei ik tegen Sonja, die zoek ik.

Maar ik ben je oma niet, antwoordde zij. Dat was een liefdevol zwijgen, maar met een onbekende wordt dat toch vreselijk ongemakkelijk?

Ze wilde erover nadenken. Haar belofte me later die week te mailen klonk weinig hoopgevend.

Ik weet niet waarom ze uiteindelijk akkoord ging, maar als datum en tijd zijn afgesproken slaan de zenuwen toe. Hoe bereid je je voor op een zwijgend interview? Ik kijk oude programma’s terug en de aflevering van Kinderen voor kinderen die ze in 1988 presenteerde, mijn eerste bewuste herinnering aan haar. Meer dan twintig jaar is Sonja Barend de meest geruststellende tv-persoonlijkheid in mijn leven geweest.

De video’s bekijkend bewonder ik opnieuw haar fijne, natuurlijke oneffenheid. Dat schalkse lachje, alsof ze de wereld op een vriendelijke manier niet helemaal serieus neemt.

Ik lees Je ziet mij nooit meer terug, het boek waarin ze probeert te achterhalen wat er speelde tussen haar ouders toen haar joodse vader in 1942 werd opgehaald en afgevoerd. Hij stierf in Auschwitz. Haar moeder kon of wilde er niet over praten. Alleen maar vragen, zonder antwoord, schrijft Sonja.

Luid gestommel. Sonja komt terug met een gevulde theepot. Met haar binnenkomst verandert de sfeer in de kamer, er staat iets te gebeuren. Verwachting, schrijf ik op. Ze komt binnen en verwacht iets, de ruimte lijkt plotseling gevuld met mogelijkheden.

Ik voel de drang iets te doen of zeggen, tegemoet te komen aan – ja, wat? Aan de onuitgesproken vraag die ze met zich meebrengt. Sonja schenkt thee in, gaat zitten, staat weer op. Ze pakt haar laptop erbij, verstuurt wat mails. Veel van haar bewegingen zijn dubbele bewegingen, twee keer tikken tegen het kopje, twee keer de laptop heen en weer schuiven, twee keer knikken als er een mail binnenkomt. Uit elke kleine handeling spreekt grondigheid. Het zekere voor het onzekere.

Zo kom ik niet bij haar

Terwijl de mails zoevend in en uit vliegen, mompelt ze zachtjes tegen het scherm. Verbeeld ik het me of gaat ze steeds sneller typen? Met de komst van de laptop is een kanaal naar de buitenwereld geopend, een uitweg. Zo kom ik niet bij haar. Waarom heb ik daar niet aan gedacht toen ik zei dat ze gewoon haar gang kon gaan? Net als de moed me in de schoenen zinkt, klapt ze de laptop dicht, leunt een klein stukje achterover in de stoel, veert weer terug. Haar zitten is wachten. Afwachten. Zelfs als Sonja niet beweegt, beweegt ze.

Uit mijn tas pak ik de bundel die ik gisteren voor haar kocht, een van de gedichten deed denken aan wat ik hier hoop te vinden. wat we zien / zien we door het licht dat erop valt // maar wat we zien / zien we door de schaduwen die het werpt.

Sonja bekijkt het boekje van onder tot boven, bestudeert het omslag, leest en bladert, er is iets gretigs aan de manier waarop ze de bundel tot zich neemt. Wat ze aanraakt wordt van haar, schrijf ik. En dan wat losse woorden die opwellen in de stilte die volgt.

Veer. Sprong. Spier. Springlevend.

Sonja leest, zucht, gooit iets in het vuur, schenkt thee in, loopt een stukje, bladert, kucht, zit, staat weer op.

Op straat loopt een groep toeristen schreeuwend voorbij, aan de achterkant van het huis vallen geluidloos bladeren van de bomen. Ik denk aan de vragen die ik gisteren voor Sonja formuleerde, opgeschreven om de zenuwen te bezweren. Of het ooit genoeg is. Of ze terugkijkend denkt: bestemming bereikt. Dat leek me een troostend idee. Maar Sonja’s stilte bevestigt eerder het tegenovergestelde en juist haar drukte, denk ik nu, is bemoedigend. Do not go gentle into that good night.

Ik voel de opwelling dichterbij te gaan zitten, haar hand te pakken. Het komt door dat ritselen en bladeren van haar, het doet me denken aan de baby-egel die ik ooit aantrof in een heg. Een perfect diertje dat mij scharrelend gezelschap hield tot iemand van de egelopvang arriveerde. Maar een totemdier voor Sonja zou nooit een egel zijn; die winterslaap, onmogelijk. Een vos misschien, of nee, een kauw, zo’n kleine slimme met grijsgroene ogen. Weer die drang haar iets over mezelf te vertellen. Sonja vraagt zonder te vragen, schrijf ik. Het is haar levenshouding.

Lees ook dit interview mét woorden met Sonja Barend: ‘Ik zal de waarheid nooit helemaal kennen’

Tijd verstrijkt. Het ongemak lijkt nu verdwenen. Sonja ruimt een kast op, sorteert boeken. Ik voel me steeds meer op mijn plek hier bij het vuur. Een mens is voor een deel wat hij een ander laat zijn en in al haar bedrijvigheid biedt Sonja mij een prettige ruimte. In haar onrust heerst een rust, een soort verzoening met de wereld, of zichzelf. Er schiet me een zin van Peter Handke te binnen: ‘Neem je eigen kleur aan tot je in je gelijk staat en het ruisen van de bladeren zoet wordt’.

Heel terloops glijden dan wat woorden de kamer in. Over het opruimen van een boekenkast, wat er weg moet, wat moet blijven en hoe je dat bepaalt. En zo rollen we na vijf kwartier stilte een gesprek in over afscheid en over de dood en de onvoorstelbaarheid van alleen verder gaan na een half leven samen, over Sonja’s vader en haar moeder en wat levenslang zwijgen te maken heeft met een leven lang vragen.